Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wet, Art. 24.

187

De provinciale opcenten op de hoofdsom der grondbelasting mogen in geen geval meer dan vijftig bedragen, en voor de ongebouwde eigendommen tot geen lager getal dan voor de gebouwde eigendommen. Provinciale wet (V. 1905, no. 91), art. 126ter. Verg. aant. 8 hierna.

De provinciale opcenten op de hoofdsom der personeele belasting worden tot geen hooger getal geheven dan dat der opcenten op de hoofdsom der grondbelasting voor de ongebouwde eigendommen in de provincie. Alsvoren, art. I26quater.

De provinciale opcenten op de hoofdsom der vermogensbelasting en der inKomstenbelasting worden tot een gelijk getal geheven, en eerst dan wanneer het getal opcenten op de hoofdsom der personeele belasting twintig bedraagt.

Zij mogen tot geen hooger getal dan de helft van de opcenten op de hoofdsom der personeele belasting geheven worden en in geen geval meer dan twintig bedragen.

Voor zooveel de mkomstenbelasting betreft, bepalen de opcenten zich tot de aanslagen der belastingplichtigen, bedoeld bij art. 1 a der Wet op de Inkomstenbelasting 1914. Alsvoren, art. i26quinquies, gewijzigd volgens art. 1 der wet V. v. V. no. 520.

De provinciale opcenten op de Rijks directe belastingen worden tegelijk met deze, en op dezelfde wijze als de hoofdsom, door 's Rijks ambtenaren ingevorderd (a). Alsvoren, art. 126novies, eerste lid.

(o) De voorschriften omtrent beschikbaarstelling der provinciale opcenten op de directe belastingen zijn vastgesteld bij de res. V. v. V. no. 554, sub LT. Zie ook §17 dier resolutie.

8. De Saten van Friesland zullen ter bestrijding van het twee derde deel van de jaarlijksche kosten van uit te voeren werken tot verbetering van de afstrooming van het boezemwater, bestaande in de renten en aflossingen van de daarvoor aan te gane geldleeningen, en de kosten, verbonden aan de exploitatie en het onderhoud van de te stichten watergemalen, onder den naam van bemalingsbelasting, mogen heffen ten hoogste / 80000 en / 160000 (naar mate een of twee gemalen worden gesticht), aan buitengewone opcenten op de hoofdsom der grondbelasting voor de ongebouwde eigendommen, ook wanneer daardoor de opcenten op de hoofdsom der grondbelasting te zamen meer dan vijftig zouden bedragen (o). Wet van 22 Juni 1914, S. no. 264, V. v. V. no. 584, art. 1.

De invordering van de bemalingsbelasting zal geschieden tegelijk met die van de opcenten op de grondbelasting en op dezelfde wijze als deze, door 's Rijks ambtenaren. Alsvoren, art. 4.

Voorschriften tot uitvoering der aangehaalde wet zijn vastgesteld bij de res. V. v. V. no. 585.

(a) Verg. art. 126fer der Provinciale wet, in aant. 7 hiervoor.

9. In afwachting van nadere wettelijke regeling worden op de vermogensbelasting geen opcenten ten behoeve van gemeenten of provinciën geheven (a). Wet Vermogensbel., art. 50.

(o) Het heffen van provinciale opcenten is thans geregeld in de artt. 1266Ü en 126quinquies der Provinciale wet. Zie aant. 7 hiervoor.

19. Door de provinciën en gemeenten wordt voor het innen van opcenten, als provinciale of plaatselijke belastingen op de Rijksbelastingen geheven, aan het Rijk 'een vergoeding betaald van twee en een half ten honderd van het bedrag dier opcenten. Wet V. 1852, no. 217, art. i. (o) Omtrent de invordering dezer vergoeding van de gemeenten wordt verwezen naar de resolutiën V. 1878, no. 32, en V. 1879, no. 67.

Door den Minister van Financiën wordt jaarlijks aan Gedeputeerde Staten het bedrag opgegeven, dat door de provincie aan het Rjk is te betalen, met verzoek om, tot voldoening van dat bedrag, een mandaat op naam van de Generale Thesaurie, ten laste der provinciale begrooting, over te maken.

Sluiten