Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bijlage A (Instr.. Inv.).

191

Een bepaling van soortgelijke strekking komt voor in art. 22 der Weduwenwet voor de ambtenaren 1890 (V. 1890, no. 48), in art. 22 der Weduwenwet voor de onderwijzers 1905, in art. 35 der Pensioenwet voor de gemeente-ambtenaren 1913, in art. 40 der Weduwenwet voor de gemeente-ambtenaren 1913 en in art. 34 der Pensioenwet voor de bijzondere leeraren 1913.

%. De Minister van Koloniën heeft van den Gouverneur-Generaal van Nederlandsen-Indië het bericht ontvangen, dat inhoudingen op hetgeen de Indische Regeering aan haar dienaren verschuldigd is, ter invordering van door dezen verschuldigde Nederlandsche belasting, niet méér kunnen worden bevolen.

Daaruit volgt, dat alle te dezer zake op traktementen, pensioenen en gagementen ten laste van de Indische begrooting gevraagde inhoudingen, zoowel in Indië als hier te lande, niet meer kunnen worden ingewilligd. Evenmin zal zulks voortaan kunnen plaats hebben op West-Indische traktementen, pensioenen en onderstanden.

De Ontvangers der directe belastingen worden daarom uitgenoodigd geen aanvragen, als hier bedoeld, meer in te zenden.

De Minister van Koloniën heeft er echter geen bezwaar tegen om, voor zoover de belastingschuldige landsdienaren of gewezen landsdienaren in Oost- of West-Indië verblijf houden, de tussehenkomst van het betrokken Koloniale bestuur in te roepen voor de minnelijke invordering van hun belastingschuld (a).

De Ontvangers, die van de hier bedoelde personen belasting hebben te vorderen, zenden deswege aanvragen ter minnelijke invordering in. Voor deze aanvragen gelden dezelfde bepalingen als in de res. van 20 Maart 1905, no. 57, V. no. 42 (b), zijn gesteld voor de aanvragen om inhouding op inkomsten van Rijkswege. Het daarvoor te gebruiken materieel Directe bel. nos. 2 en 3 behoeft niet te worden gewijzigd.

Het voorschrift in de res. van 18 Maart 1908, no. 73, V. no. 42, wordt geacht voor dit geval van toepassing te zijn (c—e). Res. van 16 Sept. 1911, no. 55.

Verg. het voorlaatste lid van § 127 hierna.

(o) Ten aanzien van-naar Indië vertrokken personen, waarvan bekend is of vermoed wordt, dat zij in eenigerlei betrekking staan tot het Nederlandsen-Indisch Gouvernement, bestaat er geen bedenking tegen om de invordering hunner belastingschulden te beproeven door een beroep op de tussehenkomst van het Departement van Koloniën.

De betrekkelijke aanvrage moet worden gedaan voor het geheele bedrag der onbetaalde belasting, onverschillig of aanspraak zou kunnen worden gemaakt op gedeeltelijke ontheffing.

Van het verleenen van ontheffing kan eerst dan sprake zijn, wanneer die door den belastingplichtige is verzocht. Bes. van 22 Juni 1896, no. 1.

(6). Hiervoor thans te lezen „Hoofdstuk 1T der Instructie Invordering."

(c) De res. V. 1908, no. 42, luidt als volgt:

„De aanvragen om inhouding op inkomsten onder het beheer van het Departement van Koloniën behooren voortaan te geschieden onder bijvoeging, voor eiken daarop voorkomenden post, van een duplicaat-aanslagbiljet, met uitzondering evenwel van die posten, waarvan vaststaat, dat de belastingschuldige nog hier te lande verblijft.

„De afschrijvingen op het kohier worden nauwkeurig op het duplicaat-aanslagbiljet vermeld."

(d) Omtrent tijdige afwikkeling van belastingzaken met ambtenaren, officieren of gepensionneerden, naar Nederlandsch-Indië of naar West-Indië vertrekkende, zijn voorschriften gegeven bij de res. V. 1909, no. 46, gewijzigd bij § 90 der Instructie Inkomstenbelasting.

(e) Omtrent verzending van stukken in zake personeele en inkomstenbelasting aan personen in de koloniën' of bezittingen van het Rijk, wier adres onbekend is, wordt verwezen naar de res. V. 1906, no. 132, in aant. 36 op art. 2 der Wet op de Invordering.

Sluiten