Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bijlage A (Instr. Inv.).

- §§ 101-102.

193

Bij Arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 Mei 1902, zie Weekblad no. 1665 en Fiscus no. 697, werd het Rijk veroordeeld om de verschenen termijnen alsnog uit te betalen.

Art. 22 der Faillissementswet heeft nl. de strekking dat, ten aanzien o.a. van een pensioen geen onderscheid zal worden gemaakt tusschen de gewone en de faillissements-executie, zoodat de curator daarop niet meer recht kan doen gelden dan de schuldeischers buiten faillissement.

Art. 1 der wet van 24 Januari 1815, S. no. 5, verbiedt onbepaald het leggen van beslag, o.a. op Rijkspensioenen, terwijl art. 2 dier wet daarop alleen korting toelaat wanneer deze bfl Kon. besluit is toegestaan, hetgeen in dezen niet had plaats gehad, zoodat het pensioen onverkort had moeten .Worden uitgekeerd.

§ 101. De ontvanger zendt, na vruchtelooze uitreiking van waarschuwing en aanmaning (1), eene aanvrage om irmoüding op inkomsten van Rijkswege rechtstreeks:

o. voor zoover betreft officieren, nülitairen beneden den rang van officier, militaire geëmployeerden, burgerlijke ambtenaren en mindere geëmployeerden, werklieden en bedienden op daggeld, allen werkzaam bij de inrichtingen der landmacht, de corveërs en militaire wachters daaronder begrepen, aan den bevoegden controleur van de inwendige administratie der korpsen en voor inhouding op nonactivfteitstraktementen van officieren en op tijdëhjke pensioenen van gewezen militairen in het algemeen aan den hoofdofficier belast met de mandateering te 's-Gravenhage (2).

b. voor alle overige belastingschuldigen aan het Departement van Financiën.

De aanvrage geschiedt, behoudens geval van dringenden aard, éénmaal p$r drie njaandën vóór of op den 5den der maanden Januari, April, Juli en October.

1. De vervolging wordt gestaakt na vruchtelooze uitreiking van waarschuwing en aanmaning aan belastingschuldigen, die van Rijkswege inkomsten genieten (o). Zie § 43 der instructie, opgenomen onder art. 13 der Wet op de Invordering. ■

Nopens de berekening van kosten, indien aan vorenbedoelde personen, in strijd met de bestaande voorschriften, een dwangbevel mocht zijn beteekend, raadplege men de res. van 12 Januari 1914, no. 21, opgenomen in aant. 11 op § 18 der I. V. (bijl. B II). . Verg. mede het slot der res. van 1 Oct. 1897f no. 13, in aant. 3 hiervoor.

(o) Belastingschuldigen, die inkomsten van Rijkswege genieten en die stelselmatig hun belasting laten inhouden, moeten evenwel op de gewone wijze worden vervolgd. Zie dienaangaande de res. van'15 Febr. 1916, no. 141, in aant. 39 op art. 13 der Wet op de Invordering.

2. Het voorschrift van § 101, lett. a, behoort alleen te worden toe: gepast ten. aanzien van beroepsmilitairen. Res. van 7 Dec. 1914,ji0..1O.

§ 102 (1). De aanvrage, bedoeld in § 101a, geschiedt bij staat Directe Belastingen no. 1 (2), in simplo, zonder geleidebrief en wel als volgt: Aan den controleur, 1ste bureau, te 's-Gravenhage, voor zooveel betreft:

Brigade Grenadiers en Jagers. IVde Infanteriebrigade. Xde Infanteriebrigade. •- 3de Regiment Huzaren. 2de Regiment Veld-Artülerie. 2de Regiment Vesting-Artillerie.

Invordering. 13

Sluiten