Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bijlage B, II (L V.). — §§ 1—2.

287

geringer belastingbedrag vroeger reeds een vervolging begonnen, doch na de beteekening van het dwangbevel gestaakt is. lies. van 21 Sept. 1911, no. 96; zie B. no. 971. Zie ook aant. 7 op § 9 hierna.

§ %. Voor de beteekening van het dwangbevel met bevel tot betaling wordt volgens art. Ib der wet (1) berekend, indien de belastingschuld, waarvoor het dwangbevel is uitgevaardigd (2), zonder de kosten bedraagt:

minder dan f 5,— ƒ 0,40

f 5,— of meer, doch minder dan ƒ 10,— „ 0,50

10,— „ „ „ „ ' „ 20,— , 0,60

20,— „ „ „ 0,75.

Schrijfloon wordt niet berekend (3—7).

1. Hier en in de volgende paragrafen der instructie wordt door wet verstaan de wet van 1 Juni 1850, S. no. 26, V. v. V. no. 140, sub II; zie onderdeel I van deze bijlage.

2. Dat is dus het bedrag der verschenen termijnen, verminderd met het reeds betaalde, en niet het bedrag van den aanslag.

3. Indien door de Rijksverzekeringsbank gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid, verleend bij art. 196 der Faillissementswet, om tegen een premieschuldigen werkgever het proces-verbaal der verificatievergadering te executeeren voor het onbetaald gebleven bedrag der premie(a), worden voor de beteekening van een uittreksel uit dat proces-verbaal de kosten berekend, welke ingevolge art. 1, lett. 6, derwetvan 1 Juni 1850, S. no. 26, verschuldigd zijn voor de beteekening van het dwangbevel, waarvoor het in het speciale geval in de plaats treedt. I. O., § 9, derde lid, daaraan toegevoegd bij de res. V. v. V. no. 208.

(a) Zie de res. van 15 Nov. 1910, no. 35,- in aant. 4 op art. 50bis der Ongevallenwet 1901 (bijl. Cl).

4. Voor het beteekenen van een nieuw dwangbevel, als bedoeld in het slot der res. van 23 Juni 1914, no. 8, V. v. V. no. 424 (a), moeten kosten in rekening worden gebracht.

De vraag, of bij voorgenomen derden-beslag de beteekening van het nieuwe dwangbevel, aan den belastingschuldige, achterwege kan blijven, wordt, met het oog op de bepalingen van art. 430, derde lid, en art. 432 W. v. B. R., ontkennend beantwoord. Res. van 28 Januari 1915, no. 27.

(a) Zie aant. 3 op § 7 hierna.

5. Zie aant. 3 op § 1 hiervoor.

6. Blijkt na de uitvaardiging van een algemeen dwangbevel, dat voor de invordering van een daarop voorkomenden post van een bijzonder dwangbevel moet worden gebruik gemaakt, dan wordt dit, na de opmaking op de gewone wijze, executoir verklaard en beteekend. Indien het eerst opgemaakte dwangbevel reeds beteekend mocht zijn, worden voor de tweede beteekening geen kosten berekend (a). Instructie Invordering, § 52.

(o) Verg. aant. 87 op art. 14 der Wet op de Invordering.

I. Wanneer het bedrag der bij dwangbevel gevorderde ongevallenpremie minder, doch dat van premie en interest (a) te zamen meer dan ƒ 5,— en minder dan /10,— beloopt, moet voor de beteekening van dat

Sluiten