Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

250

Bijlage B, II (I. V.). — §§ 21—22.

bij voorkeur andere personen genomen, die in of nabij die plaats wonen 1.1—2).

1. Indien ambtenaren als getuige fungeeren, wordt het door den belastingschuldige betaalde getuigenloon aan het Rijk verantwoord Zie § 18.

Verg. mede § 26 hierna.

%. Verg. § 15, tweede lid, der L O.

§ Onder het eerste lid van § 20 valt het vacatiëloon aan getuigen, wanneer een voorgenomen arrest wordt opgeschort (1) of wanneer om andere geldige redenen dat loon niet door den belastingschuldige wordt betaald (2).

In zoodanig geval kan dat vacatiëloon alleen in rekening worden gebracht voor getuigen, die geen ambtenaar zijn, noch behooren tot de personen die eene belooning ontvangen onafhankelijk van het resultaat der ingestelde vervolgingen (verg. § 26 hierna), en zulks uitsluitend wegens gemis van een behoorlijk daggeld en tot een bedrag, dat door den inspecteur naar billiikheid wordt bepaald (8—4). J

1. Verg. § 59 der Instructie Invordering, opgenomen onder art. 14 der Wet op de Invordering.

ft. Het getuigenloon zal aan het Rijk in rekening kunnen worden gebracht, wanneer de vervolging eindigt met proces-verbaal van onvermogen.

Zie, voor het geval verhaal later mogelijk blijkt, de res. V. v. V no 424, in aant. 3 op § 7.

Het getuigenloon zal mede ten laste van het Rijk komen, wanneer de vervolging eindigt met verklaring van onderzoek of niet-bevinding, opgemaakt overeenkomstig het tweede lid van § 62 der Instructie Invordenng, opgenomen onder art. 14 der Wet op de Invordering.

3. De bedoeling van dit voorschrift is, de getuigen een behoorlijk daggeld te verzekeren, waar, door het afzien van beslaglegging, de verdiensten wegens getuigenloon daartoe niet toereikend zouden zijn.

Daarom zal de hier bedoelde vergoeding moeten worden bepaald op het bedrag van een dagloon, verminderd met het bedrag der vacatiën wegens • gelegd beslag.

De vergoeding zal evenwel niet mogen gaan boven het bedrag, dat op den bewusten dag, bij beslaglegging, zou zijn verdiend.

Indien dus, om enkele voorbeelden te noemen, een getuige op zekeren dag niet optreedt dan bij ééne vervolging, welke eindigt met proces-verbaal van onvermogen, zal hem niet meer kunnen vergoed worden dan de daartoe staande vacatie van ƒ0,45, want bij beslaglegging zou hij niet meer hebben genoten; worden daarentegen vier vervolgingen ingesteld, met gelijken afloop, en een billijk daggeld geacht te zijn ƒ 1,— of ƒ 1,50, dan wordt de vergoeding bepaald op een der laatstgenoemde bedragen; werd echter voor twee vacatiën ten zelfden dage reeds getuigengeld verdiend, te zamen dus ƒ 0,90, dan zal slechts moeten worden toegelegd / 0 10 of ƒ 0,60. Res. van 11 Mei 1908,reo.27. *

4. Verg. § 15, tweede lid, der I. O.

Sluiten