Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bijlage B, II (I. V.). — §§ 27—80.

253

§ 2T. In enkele gevallen kunnen door de ontvangers, in zake de invordering der directe belastingen, uitschotten worden gedaan die ten laste van het Bijk komen. Voor zoover niet eene bepaalde wijze van verevening is voorgeschreven, brengen de ontvangers dergelijke uitschotten, onder overlegging van quitantiën, met declaratie Directe Belastingen no. 24 op den staat van ininbare posten (1).

1. Bij de res. van 10 Juli 1914, no. 11, is, met betrekking tot de invordering van ongevallenpremie van schippers, te kennen gegeven, dat, wanneer in een bepaald geval de beslaglegging op een schip het aanschaffen van een ketting noodig maakt, tot die aanschaffing, voor rekening van het Rijk, kan worden overgegaan op den voet van het bepaalde bij de artt. 9,10 en 11 der res. van 26 Maart 1906, no. 27, V. no. 50.

§ 28. Wanneer een belastingschuldige bij wien beslag is gelegd, ten kantore betaijng komt aanbieden, zorgt de ontvanger, dat met de reeds gemaakte kosten, zoo noodig, tevens worden geïnd die welke naar aanleiding van de betaling nog moeten worden gemaakt tot opheffing van het beslag (verg. § 18) (1). Hierbij is er op te letten, dat wanneer de betaling geschiedt vóór de beteekening van het proces-verbaal van inbeslagneming, het beslag en de opheffing bij één exploot worden beteekend (2).

1. De opheffing van het beslag veroorzaakt thans, als regel, geen kosten meer voor den belastingschuldige. Zie § 68 der Instructie Invordering, opgenomen onder art. 14 der Wet op de Invordering.

2. Indien een belastingschuldige het door hem verschuldigde ten ontvangkantore heeft betaald, nadat beslag op zijn goederen is gelegd, doch vóórdat deswege ingevolge art. 453 W. v. B. R. beteekening heeft plaats gehad, behoort die beteekening achterwege te blijven (a). Instrüctie Invordering, § 61.

(a) Te dier zake kunnen dus ook geen kosten worden gevorderd.

§ 29. Verwijzing naar deze instructie geschiedt door de letters I. V.

§ 30. Deze instructie treedt in werking op 1 November 1912. Alsdan zijn ' Vervallen de resolutie van 15 April 1904, no. 13, (Verzameling 1904, no. 46) * en alle verdere voorschriften, welke met deze instructie in strijd mochten zijn (1).

1. Verg. de res. van 6 Febr. 1913, no. 7, in aant. 1 op § 26.

Sluiten