Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bijlage C, I (Ongevallenwet). — Artt. 50—50bis.

259

waarvoor het werd uitgevaardigd, maar slechts op formeele gronden, bijv. wegens informaliteiten bij de tenuitvoerlegging begaan. Vonnis van de Arr. Rechtbank te Rotterdam {Kort Geding) van 12 Aug. 1911 W. v. h. R. no. 9390, Weekblad no. 2113. Verg. aant. 9, met noot a, op art. bObis.

T. Zie de aantt. 101 en 102 op art. 14 der Wet op de Invordering.

Art. 50fcïs (1 —2). De beteekening en de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen, in het voorgaande artikel bedoeld, geschieden door de deurwaarders der directe belastingen (8—4).

Na de beteekening kan uitsluitend worden betaald ten kantore dier belastingen, waaraan de deurwaarder, houder van het dwangbevel, verbonden is, of, bij mbeslagneming, in handen van dien deurwaarder (5).

De kosten van vervolging worden berekend volgens de bepalingen, betrekkelijk de kosten van vervolging in zake van directe belastingen (6—7). Het recht van parate executie strekt zich uit tot deze kosten (8—9).

1. Dit artikel is ingevoegd bij de wet van 30 Juni 1909, S. no. 205 (V. 1909, no. 106).

Het betrekkelijk wetsontwerp en de Mem. v. T. zijn opgenomen in Weekblad no. 1917 en in Fiscus no. 1056.

In Fiscus nos. 1062, 1063 en 1064 zijn opgenomen, respectievelijk: het Afdeelingsverslag der Tweede Kamer, een Nota van wijzigingen en de beraadslagingen der Tweede Kamer.

2. Herhaaldelijk heeft zich het geval voorgedaan, dat een werkgever, nadat een krachtens art. 50 der Ongevallenwet tegen hem uitgevaardigd dwangbevel hem beteekend was met bevel tot betaling, mede van de kosten, de premie ten postkantore gestort, maar daarentegen geweigerd heeft de gemaakte kosten te voldoen. De Bank kan in dergelijk geval op het beteekende dwangbevel tot tenuitvoerlegging daarvan, alléén wegens de kosten, niet overgaan. De kosten in rechte te vorderen, zou tot een kostbare procedure leiden, waartoe de Bank, met het oog op de vaak geringe premie — in vele gevallen slechts enkele guldens — niet licht zou overgaan. De werkgevers weten dit; velen betalen niet vrijwillig de premie, doch wachten een dwangbevel af. Het gevolg is, dat de inning — voornamelijk geldt het hier geringe premiebedragen — zeer moeilijk wordt en dat de Bank bovendien de kosten van het dwangbevel —welke in vele gevallen de premie overtreffen — moet dragen.

Dergelijk bezwaar wordt bij de vervolging wegens directe belastingen niet ondervonden, omdat, naar de te dien opzichte geldende regeling, het recht van parate executie zich uitstrekt tot de vervolgingskosten, terwijl iedere betaling allereerst in aftrek wordt gebracht op de verschuldigde vervolgingskosten.

Het schijnt derhalve wenschelijk, deze regeling ook voor de vervolging wegens de ongevallenpremie voor te schrijven en de vervolging zelfs aan de ambtenaren, die het best met die wegens directe belastingen vertrouwd zijn — de deurwaarders dezer belastingen — op te dragen.

Tevens wordt daarmede bereikt, dat de vervolgingskosten, welke den nalatigen werkgever in rekening gebracht worden, als wordende berekend naar de tarieven, voor de vervolging wegens directe belastingen geldende, aanmerkelijk lager en zoodoende meer in verhouding tot het meestal geringe bedrag der premie zullen zijn.

De artikelen, welke aan bovenstaande gedachte uitvoering geven, vereischen geen verdere toelichting. Mem. v. T.

Sluiten