Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

260

Bijlage C, I (Ongevallenwet). — Art. 50bis.

3. Zie art. 20 der Wet op de Invordering.

4. De vraag is gerezen, of het bepaalde in het bij de wet van 30 Juni 1909, S. no 205, aan de Ongevallenwet 1901 toegevoegde art. bObis toelaat, dat de deurwaarders der directe belastingen beteekeningen tenuitvoerlegging verrichten, wanneer de invordering van ongevallenpremie moet geschieden krachtens anderen titel dan een dwangbevel.

Speciaal doet zich die vraag voor, ingeval na faillissement van den premieschuldigen werkgever gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid, verleend bij art. 196 der Faillissementswet, om tegen dien werkgever het proces-verbaal van verificatievergadering te executeeren voor net onbetaald gebleven bedrag der premie.

Aangezien dat proces-verbaal den eenigen voor tenuitvoerlegging vatbaren titel oplevert, wordt in dat geval het recht gemist om een dwangbevel uit te vaardigen en dient de vervolging te geschieden krachtens een grosse, een .uittreksel bevattende uit dat proces-verbaal (a).

Bovenbedoelde vraag moet toestemmend worden beantwoord, vermits de bevoegdheid om den algemeenen titel — nl. het dwangbevel — ten uitvoer te leggen medebrengt de bevoegdheid, om den bijzonderen titel, welke in het speciale geval van faillissement daarvoor in de plaats treedt, te executeeren. Res. van 15 Nov. 1910, no. 35.

Verg. het derde lid van § 9 der I. O., met aant. 9, en het artikel „De ongevallenpremie en de Faillissementswet" in Weekblad no. 2007.

(o) Verg. aant. 8 op art. 14 der Wet op de Invordering.

j>. Verg. art. 21 der Wet op de Invordering.

6. Zie de wet van 1 Juni 1850, S. no. 26, V. v. V. no. 140, sub II, benevens de I. V., opgenomen in bijl. B I en II.

1. De door werkgevers betaalde kosten van vervolging wegens de beteekening en tenuitvoerlegging van dwangbevelen, bedoeld in art. 50 der Ongevallenwet 1901, worden, voor zoover zij niet zijn uit te keeren aan den deurwaarder wegens uitschotten of aan personen, die als getuige of bewaarder assistentie hebben verleend (a), aan het Rijk verantwoord als buitengewone ontvangst, het Departement van Financiën betreffende. Kon. besluit V. v. V. no. 117, art. 1.

(a) Zie de §§ 15 en 16 der I. O. Zie mede aant. 4 op laatstgemelde paragraaf, in onderdeel II dezer .bijlage.

8. Verg. art. 24 der Wet op de Invordering.

9. In het Afdeelingsverslag der Tweede Kamer werd gevraagd of het niet noodig is om, nu het recht van parate executie zich zal uitstrekken tot de vervolgingskosten, een bepaling in de wet op te nemen, waarbij aan belanghebbenden het recht, wordt gegeven tegen het dwangbevel in verzet te komen.

De Minister van Financiën merkte, naar aanleiding hiervan, bij de beraadslagingen in de Tweede Kamer het volgende op:

„In het ontwerp een bepaling op te nemen, waarbij aan belanghebbenden het recht wordt gegeven, tegen het dwangbevel in verzet te komen, zulks "met het oog op de vervolgingskosten, waartoe het recht van paratie executie zich zal uitstrekken, schijnt overbodig.

„Immers heeft de belanghebbende, blijkens art. 438 W. v. B. R. — waarvan de bepalingen op het stuk van gerechtelijke tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten toepasselijk zijn op de mvordering

Sluiten