Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJLAGE D.

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. EERSTE BOEK.

Van de wijze van procedeeren voor de Kantongerechten, Arrondissements-Rechtbanken, Hoven en den Hoogen Raad.

EEESTE TITEL.

Algemeene bepalingen.

Eerste Afdeeling.

Van exploten van dagvaarding, aanzegging en beteekening.

Art. 1. Elke rechtsingang vangt aan met eene dagvaarding, door eenen deurwaarder, die tot het exploiteeren in de plaats bevoegd is; hij is verplicht afschrift van het exploot te laten aan den persoon, of aan de woonplaats van den gedaagde (1—10).

Het afschrift zal bij dengenen die het ontvangen heeft, als oorspronkehjke dagvaarding gelden (11—12).

1. Aan den geïnsinueerde in persoon, kan zoowel buiten zijn huis als buiten de gemeente zijner inwoning exploot worden gedaan. In dat geval is nauwkeurige vermelding van plaats en gemeente, waar de deurwaarder het exploot heeft gedaan, noodig.

Buiten het huis van den geïnsinueerde mag men niet aan zijn huisgenooten beteekenen. Fiscus no. 469.

%. De Arr. Rechtbank te Breda heeft bij Vonnis van 8 Dec. 1891 nietig verklaard, een dagvaarding, die was uitgebracht ten kantore van den geïnsinueerde „aldaar sprekende met zijn broeder en huisgenoot". De Rechtbank overwoog daarbij, dat het exploot aan den gedaagde persoonlijk of te zijner woonplaats moet geschieden en dat het exploot alleen dan ten kantore kan plaats hebben, wanneer het een vennootschap van koophandel betreft (a). Fiscus no. 469.

(a) Zie art. 4, sub 4.

3. Een dagvaarding, beteekend, niet terwoonplaats van den gedaagde, maar aan den persoon en ten kantore van gedaagdes advocaat, die verklaarde gemachtigd te zijn het exploot aan te nemen, is nietig, omdat de beteekening niet overeenkomstig art. 1W. v. B. R. is geschied aan den persoon of aan de woonplaats van den gedaagde. Arrest van het GerechtsJwf te 's-Gravenhage van 30 Aoril 1900. W. v. h. R. no. 7469, Fiscus no. 609.

Sluiten