Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

286

Bijlage D (Borg. Rechtsv.). — Artt. 1—2.

Die voor andere beteekeningen volgens § 3 der genoemde instructie. Zie evenwel § 8 dier instructie.

Art. 9. Ingeval de deurwaarder noch den gedaagde, noch iemand van diens huisgenooten aan zijne woonplaats vindt, zal hij het afschrift terstond ter hand stellen aan het hoofd van het plaatselijk bestuur, of aan dengene die hem vervangt, die het oorspronkehjke stuk kosteloos met gezien zal moeten teekenen, en het afschrift, zoo mogelijk, aan den gedaagde zal moeten doen toekomen, zonder dat van dit laatste echter in rechten zal behoeven te blijken (1—18).

De deurwaarder moet van die terhandstelling melding maken op de oorspronkelijke dagvaarding en op het afschrift van dezelve (14—15).

1. Bij Arrest van den Hoogen Raad van 7 Febr. 1887, V. no. 59, is de dagvaarding, beteekend aan den broeder van den geïnsinueerde, nietig verklaard, omdat uit het exploot niet bleek, dat die broeder tot de huisgenooten van den geïnsinueerde behoorde.

In verband met dit Arrest mag aan de woon- of verblijfplaats alleen dan exploot worden gedaan, wanneer aldaar öf de persoon, wien het aangaat, óf iemand van zijn huisgenooten wordt gevonden.

In laatstbedoeld geval moet uit de akte duidelijk blijken dat degeen met wien gesproken is, tot de huisgenooten behoort.

Als zoodanig is o.a. niet aan te merken een uitwonende dienst- of werkbode. Res. V. 1887, no. 60.

Daar in deze resolutie, welke tot opschrift heeft „Directe belastingen, invoerrechten en accijnzen", geen exploten zijn uitgezonderd, geldt zij ook voor de akten van beteekening der dwangbevelen. Res. van 16 Febr. 1888, no. 28.

Verg. de aantt. 9—11 op art. 5 hierna.

%. Wanneer een exploot gedaan wordt aan een vennootschap, corporatie, enz., ten kantore, behoeft het niet gedaan te worden aan een der huisgenooten. Het is dan voldoende, dat het ter behoorlijke plaatse geschiedt, aan iemand, die tot die plaats in betrekking staat. Fiscus no. 469.

Verg. aant. 3 op art. 4.

3. Waar van huisgenooten gesproken wordt, vindt men dit zonder eenige toelichting.

Raadpleegt men art. 1949 B. W., dan komt men tot de ontdekking, dat kinderen, die den vollen ouderdom van vijftien jaren nog niet hebben bereikt, onbevoegde personen zijn en niet als getuigen kunnen worden toegelaten; evenzoo zij, die terzake van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij onder curateele zijn gesteld.

Uit het feit, dat de deurwaarder het afschrift moet afgeven, aan den geïnsinueerde in persoon of aan iemand die met hem het huis bewoont, blijkt voldoende, dat de wetgever bepaaldelijk heeft gewild, dat de geïnsinueerde direct of indirect in kennis worde gesteld met het exploot. Bestaat er nu kans, dat die wil wordt uitgevoerd, wanneer het afschrift wordt afgegeven aan een van de personen hierboven genoemd? Men meent deze vraag ontkennend te mogen beantwoorden. Fiscus no. 469.

4. Onder huisgenooten heeft men te verstaan personen, die met den gedaagde hetzelfde huis bewonen en geen personen, die zich toevallig tijdens de beteekening van het exploot in die woning bevinden. Fiscus no.

5. Onder huisgenooten kunnen alleen worden verstaan, zij die met den

Sluiten