Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

292

Bijlage D (Burg. Rechtsv.). — Art. 4.

en oordeelt, dat in het behandelde geval het exploot aan den vreemden bewoner of diens huisgenooten moet worden beteekend.

Tegen deze meening wordt door van Kossem aangevoerd, dat deze vréémde bewoners of diens huisgenooten in hoegenaamd geen betrekking staan tot den overledene en mitsdien een zoodanige beteekening geen den minsten waarborg geeft, dat het exploot in handen komt van dengene wien het aangaat.

Hij concludeert hieruit, dat een dergelijke beteekening onvereenigbaar is met 's wetgevers zorg voor het terechtkomen der exploten. Fiscus no. 470.

Beschouwingen omtrent dit onderwerp worden mede aangetroffen in De Invordering nos. 27 en 29.

Nu het blijkbaar niet vaststaat hoe de beteekening moet geschieden, komt het gewenscht voor, om in het geval, dat het sterfhuis niet meer bewoond wordt door het gezin van den overledene, de erfgenamen niet gezamenlijk, doch ieder afzonderlijk bij dwangbevel te vervolgen, ook dèin, wanneer die vervolging plaats heeft binnen een jaar na het overlijden.

Verg. aant. 49 op art. 14 der Wet op de Invordering.

Sub 7.

1%. De eerste alinea van art. 4, sub 7, moet worden gelezen alsof er stond: „Ten aanzien van hen die geen bekende woonplaats hebben, ter plaatse van hun werkelijk verblijf in het Koninkrijk".

Het verschil tusschen de nos. 7 en 8 bestaat hierin, dat no. 7 het geval behandelt, dat iemands woonplaats in het algemeen onbekend is, terwijl no. 8 moet toegepast worden, wanneer de gedaagde een bekende woonplaats buiten het Koninkrijk heeft.

Onder woonplaats versta men het hoofdverblijf (a), onder werkelijk verblijf het gedurende langeren of korteren tijd voor een zeker doel gebleven zijn in een gemeente. Het enkel reizen en trekken door een plaats, al gaat het met eenig oponthoud gepaard, is niet als werkelijk verblijf aan te merken. De Invordering no. 38.

(a) Zie art. 74 B. W., in aant. 8 op art. 1 hiervoor.

13. In geval van beteekening op den voet van het tweede lid van art. 4, sub 7, moet uit het. exploot blijken, niet alleen dat de woonplaats, maar ook dat de plaats van werkelijk verblijf, binnen het Koninkrijk, niet bekend is. Arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 Maart 1884, W. v. h. R. no. 5143; zie De Invordering no. 38.

14. Een dwangbevel betreft niet een te voeren rechtsgeding. Het kan dus worden beteekend op den voet van het vijfde lid van art. 4, sub 7, en op den voet van het tweede lid van art. 4, sub 8.

15. Zie, voor exploten aan schippers, wonende aan boord, het Arrest van den Hoogen Raad van 10 Maart 1902, in aant. 7 op art. 2 hiervoor.

Zie mede aant. 18 hierna.

16. Wanneer iemand met de noorderzon vertrokken is, terwijl zijn achtergebleven gezin inmiddels is .verhuisd naar een andere gemeente, moet, volgens De Invordering no. 10, de beteekening van het dwangbevel geschieden op den voet van art. 4, sub 7, W. v. B. R.

Volgens genoemd Maandblad kan de beteekening niet geschieden aan de vroegere woonplaats, in verband met het Vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 16 Mei 1890 (zie aant. 6 op art. 2) en evenmin aan de nieuwe woonplaats van het achtergebleven gezin, omdat niet

Sluiten