Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bijlage D (Burg. Rechtsv.);. — Artt. 438—439.

301

3. Een opstel over „Kortgeding" komt voor in De Invorderinghos. 39 en volgg.

TWEEDE TITEL.

Van de gerechtelijke tenuitvoerlegging op roerende goederen (1).

I. Zie aant. 13, lett. A, en de aantt. 14—18 op art. 14 der Wet op de Invordering.

Eerste Afdeeling.

Van beslag op roerende goederen.

Art. 439. Geen executoriaal beslag op roerende goederen zal mogen worden gelegd, dan uit krachte van .een vonnis of van eene authentieke akte in executorialen vorm (1).

Hetzelve moet zijn voorafgegaan van een exploot van eenen deurwaarder, houdende bevel om binnen twee dagen aan het vonnis of aan de akte te voldoen (2—3).

Indien bij het beteekenen van het vonnis of van de akte tevens het voorgeschrevene bevel is gedaan, wordt geen afzonderlijk bevel vereischt (4).

Bij het bevel of de beteekening moet de woonplaats worden gekozen door den executant, tot aan het uiteinde der executie, binnen de gemeente waar de executie moet plaats hebben, ten ware hij binnen die gemeente mocht woonachtig zijn, en zulks op straffe van nietigheid van het exploot (5—8).

De schuldenaar kan aan deze gekozene woonplaats alle beteekeningen laten doen, zelfs van werkeüjk aanbod, van verzet en van hooger beroep (9—12).

1. Door de inbeslagneming der roerende goederen, verliest de schuldenaar het recht om over die goederen te beschikken. Vonnis van de Arr. Rechtbank te Amsterdam van 15 Juli 1892, W. v. h. R. no. 6238.

%. Betaling binnen twee dagen, waartoe bij de beteekening van een dwangbevel in zake directe belastingen wordt gesommeerd, beteekent: betaling op een der twee eerstvolgende kantoordagen. Vonnis van den Kantonrechter te 's-Gravenhage van 31 Mei 1907; zie B. no. 342.

Verg. aant. 5 op art. 440.

3. Wanneer er gegronde vrees bestaat, dat de schuldenaar de hier genoemde termijn van twee dagen zal gebruiken om de goederen te verduisteren, zal men zijn toevlucht kunnen nemen tot het conservatoir beslag. Zie de aantt. 114 en 115 op art. 14 der Wet op de Invordering.

4. Nu de dwangbevelen in zake directe belastingen en ongevallenpremie worden beteekend met bevel tot betaling, is een afzonderlijk bevel, als bedoeld in art. 439, derde lid, vóórdat tot inbeslagneming wordt overgegaan, niet noodig. Zie art. 14 der Wet op de Invordering, met aant. 91, benevens aant. 4 op § 1 der I. O. (bijl. G II).

5. Op grond van de geschiedenis der wet moet worden aangenomen, dat de ratio van art. 439, vierde lid, W. v. B. R. medebrengt, dat de executant van het begin tot het einde der executie een domicilie heeft in de gemeente der executie, en dat een executie, waaraan dit essentieel bestanddeel tijdens den loop gaat ontbreken — zij het ook door toedoen van den debiteur — onwettig wordt. Moet dus tot executie van roerende goe-

Sluiten