Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

320

Bijlage_D (Burg. Rechtsv.). — Art. 450.

Nopens deze kosten wordt verwezen naar aant. 1 op § 12 der I V (bijl. B II).

(o) Modellen voor het proces-verbaal van overgang van bewaarder en voor de akte van beteekening aan den beslagene zijn te vinden in Caljé, De Deurwaarder nos. 373 en 374.

1T. In zake directe belastingen is arrestant: de Ontvanger, die het dwangbevel heeft uitgevaardigd. Zie aant. 5, noot a, op art. 443.

In zake de ongevallenpremie is de Voorzitter van het Bestuur der Rijksverzekeringsbank de arrestant. Zie § 14 der I. O.

Een particuliere klerk van den Onvanger behoort tot zijn bedienden. Daarentegen niet een rijksklerk en evenmin een kommies.

18. Verg. de artt. 506 en 766.

19. In § 60 der Instructie Invordering is er op aangedrongen zooveel mogelijk den beslagene zelf of een der medebewoners van het huis of de plaats waar de beslaglegging geschiedt, tot bewaarder aan te stellen.

S0. De deurwaarder behoort den door hem aan te stellen bewaarder, behalve op art. 454 W. v. B. R., op art. 198 van het Wetboek van Strafrecht opmerkzaam te maken en daarvan in het proces-verbaal van beslag te doen blijken. Instructie Invordering, § 91.

Art. 454 W. v. B. R. is hierna opgenomen.

Art. 198 van het Wetboek van Strafrecht luidt als volgt:

„Hij die opzettelijk eenig goed aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag of aan een gerechtelijke sequestratie onttrekt, of, wetende, dat het daaraan onttrokken is, het verbergt, wordt gestraft met gevangenisstraf van teri hoogste drie jaren.

„Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettebjk eenig krachtens de wet in beslag genomen goed vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt.

„De bewaarder, die opzettelijk een dezer feiten pleegt of toelaat, of den dader als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. .

„Indien een dezer feiten ten gevolge onachtzaamheid des bewaarders gepleegd is, wordt deze gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden (a—d)."

(a) Onder een krachtens de wet gelegd beslag moet niet méér worden verstaan, dan een beslag, gelegd door een bevoegd ambtenaar, krachtens een deugdelijken titel, met inachtneming der voorgeschreven formaliteiten, onverschillig of naar het burgerlijk recht het goed wel in beslag had mogen worden genomen, daar het voorschrift van art. 198 enkel dient ter bescherming van een ambtsverrichting en de handeling strafbaar is als een misdrijf tegen het openbaar gezag. Arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 17 Febr. 1910; zie Weekblad no. 1972.

Verg. het Arrest van den Hoogen Raad van 29 Dec. 1913, W. v. h. R. no. 9596, Weekblad no. 2189.

(6) Het onttrekken van goederen aan een gelegd beslag is strafbaar wanneer zulks geschiedt nadat de belasting, met de kosten, is voldaan, doch. vóórdat het beslag is opgeheven. Vonnis van de Arr. Rechtbank te Amsterdam van 7 April 1910; zie Weekblad no. 1973.

(c) De strafbaarheid voor onachtzaamheid van een bewaarder van in beslag genomen goederen, volgens art. 198, is niet afhankelijk van de vraag of de feiten al dan niet met opzet gepleegd zijn. Arrest van den Hoogen Raad van 20 Januari 1902, Weekblad no. 1573.

(d) Indien een minderjarige, aangesteld tot bewaarder van krachtens de wet in beslag genomen roerende goederen, de handelingen verricht, genoemd in art. 198 van het Wetboek van Strafrecht, kan de in dat artikel genoemde straf niet tegen hem worden uitgesproken. Mb. A. J. M. Kuuphbs, Stelling XX VIII ; zie Weekblad no. 2116, blz 45.

Sluiten