Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

386

Bijlage D (Burg. Rechtsv.). — Artt. 463—465.

lastingschuldige in rekening gebracht, wanneer de verkoop op een andere plaats dan die der 'beslaglegging, geschiedt krachtens vergunning der' Rechtbank, en die vergunning door den Ontvanger is gevraagd. Alsvoren, § 17, laatste lid.

4. Wanneer een deurwaarder voor het houden van een verkooping de openbare straat noodig heeft, wordt daarvoor, volgens een Vonnis van den Kantonrechter te Rotterdam van Augustus 1905, de toestemming van het gemeentelijk bestuur vereischt. Caljé, De Deurwaarder, no. 462.

Verg. De Invordering no. 36, blz. 92.

Art. 464. In de gemeenten binnen welke de verkoop zal geschieden, Bollen, ter plaatse daartoe bestemd, biljetten worden aangeslagen, houdende aanduiding van de plaats, den dag en het uur van den verkoop, mitsgaders van den aard der voorwerpen, doch zonder bepaalde stuksgewijze beschrijving derzelve (1—2).

De biljetten worden bovendien aangeslagen aan het huis van den geëxecuteerde (3-5).

1. Verg. de artt. 465 en 473 hierna.

2. De naam en de woonplaats van den executant en van den geëxecuteerde behoeven niet op de biljetten vermeld te worden.

Verg. de artt. 515 en 570 W. v. B. R.

3. Hij die een bekendmaking, van wege het bevoegd gezag in. het openbaar gedaan, wederrechtelijk afscheurt, onleesbaar maakt of beschadigt, wordt gestraft volgens art. 187 of art. 447 van het Wetboek van Strafrecht (a).

Verg. het Vonnis der Arr. Rechtbank te Amsterdam van 25 Mei 1910, in Weekblad no. 1979.

(o) Het afscheuren van een, ten verzoeke van een particulier, door een deurwaarder ter voldoening aan art. 464 W. v. B. R. aangeplakte of aangeslagen bekendmaking, valt niet onder het bereik van art. 187 of art. 447 van het Wetboek van Strafrecht. Vonnis van de Arr. Rechtbank te Maastricht van 23 Mei 1892, W. v. h. R. no. 6222; zie Fiscus no. 200.

4. Voor het aanslaan der biljetten, betreffende den executorialen verkoop, wordt f 0,30 per biljet aan den belastingschuldige in rekening gebracht.

Voor het schrijven der biljetten wordt niets gerekend. Zie § 11 der I. V., alsmede aant. 2 op die paragraaf, in bijl. B II.

5. Verg. de artt. 514, 515, 517, 569 en 570.

Art. 465. Het aanslaan der biljetten moet geschieden na het sluiten van het proces-verbaal of na het beteekenen der akte in het tweede lid van art. 449 vermeld, en zulks ten minste vier dagen vóór den verkoop; ten ware die tearrnijn door de rechtbank mocht zijn verkort (1—4).

1. Verg. aant. 3, noot a, op art. 453.

2. Deze termijn kan dus niet bij onderlinge toestemming van partijen worden verkort.

Sluiten