Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

350

Bijlage D (Burg. Rechtsv.). — Artt. 476—477.

4. Art. 476 beveelt de beteekening van het beslag, op straffe van nietigheid, omdat het tot het wezen der zaak behoort, dat de geëxecuteerde op eenige wettige wijze wete, wat van hem in beslag wordt genomen. De Invordering no. 22.

5. Bij het executoriaal beslag onder derden wordt dus niet, zooals bij conservatoir arrest, een deugdelijk-verklaring (van-waardeverklaring) van het beslag vereischt.

Verg. aant. 114 op art. 14 der Wet op de Invordering.

Het executoriaal beslag onder derden wordt van rechtswege van waarde, hetzij nadat de termijn voor verzet (art. 477) is verstreken, zonder dat de geëxecuteerde in verzet is gekomen, hetzij nadat het verzet, gedaan zijnde, is afgewezen (art. 479).

Het executoriaal beslag onder derden kan alleen worden gelegd door den houder van een executorialen titel. De wettigheid der schuld is alsdan reeds uitgemaakt en erkend en kan nimmer het onderwerp worden van een hernieuwd rechterlijk onderzoek (a). De vraag blijft alleen over, of het beslag wettig en in behoorlijken vorm geschied is, en die vraag, wanneer dit door den geëxecuteerde wordt tegengesproken, wordt bij het door hem in te stellen verzet behandeld (b). De Pinto; zie Fiscus no. 652.

(o) Verg. art. 15 der Wet op de Invordering. (b) Zie het volgende artikel.

Art. 4TT. Binnen acht dagen na de beteekening in het vorige artikel vermeld (1), kan de geëxecuteerde, indien hij meent daartoe grondën te hebben, tegen dit beslag in verzet komen (2), en doet in dit geval zijn verzet binnen acht dagen daarna aan den derdenrbeslagene beteekenen (3).

Deze laatste termijn zal met acht dagen worden verlengd, indien de derdebeslagene binnen het rechtsgebied van een ander gerechtshof woont.

Het verzet moet worden gebracht voor den bevoegden rechter van den geëxecuteerde (4).

1. Bij de berekening van de acht dagen, bedoeld in art. 477 W. v. B. R., moet de dag, waarop het beslag is beteekend, niet worden medegerekend. Een verzet, gedaan op den achtsten dag na de beteekening is dus nog ontvankelijk. Vonnis van de Arr. Rechtbank te 's-Gravenhage van 28 Juni 1887, W. v. h. R. no. 5464.

2. Het verzet kan gegrond zijn: 1°. indien er is beslag gelegd voor een grootere som dan die, waarvoor vonnis verkregen is; 2°. indien voor een private schuld van den geëxecuteerde zijn in beslag genomen goederen, die hij voor een derde bezit in een hoedanigheid en waarvoor hij als voogd, als curator of uit anderen hoofde aan derden verantwoordelijk is (a); 3°. indien zijn in beslag genomen inschulden, waarop geen beslag geoorloofd is; 4°. indien de nietigheid wordt beweerd van den titel, krachtens welken het beslag gelegd is; of 5°. indien bij het beslag of bij de beteekening daarvan niet zijn in acht genomen de formaliteiten der wet. De Pinto; zie Fiscus no. 653.

Zie mede aant. 5 op art. 476.

(o) Verg; De Invordering nos. 24 en 25.

3. Het doen van verzet bestaat in de aanzegging, dat men in yerzet komt, met gelijktijdige dagvaarding van den executant (a) om het verzet deugdelijk te hooren verklaren en het beslag te hooren opheffen. De

Sluiten