Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bijlage D (Burg. Rechtsv.). — Artt. 477—479.

851

dagvaarding moet dus met het verzet bij één exploot geschieden. Verg.' het Vonnis van, de Arr. Rechtbank te Zwolle van 21 Maart 1877, W. v. h. R. no. 4157. De executant wordt dus met het gedaan verzet in kennis gesteld door beteekening van een dagvaarding aan de door hem, bij het leggen van beslag, gekozen woonplaats. De Invordering no. 24.

(o) Executant is de Ontvanger, die het dwangbevel heeft uitgevaardigd, of, in zake invordering van ongevallenpremie, de Voorzitter van het Bestuur der Rijksverzekeringsbank.

4. De geëxecuteerde brengt het verzet dus voor zijn eigen Rechter. Verg. het derde lid van art. 15 der Wet op de Invordering.

Art. 478. Indien het verzet van den geëxecuteerde bevonden wordt gegrond te zijn, en hij dienvolgens opheffing van het beslag bekomt, zal de executant, indien daartoe gronden zijn, worden veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, ten behoeve van den geëxecuteerde (1).

1. De verplichting tot schadevergoeding volgt niet altijd vanzelf uit het gegrond bevinden van het verzet. De geëxecuteerde zal dus aan de vordering tot opheffing van het beslag, die tot schadevergoeding moeten verbinden. Hij heeft daarbij alleen te bewijzen, dat de executant had kunnen en behooren te weten, dat het beslag onwettig was en dat hij er door is benadeeld. Verg. Fiscus no. 654 en De Invordering no. 25.

Art. 479. Indien de geëxecuteerde het verzet in art. 477 gemeld, niet heeft gedaan,' of indien hetzelve, gedaan zijnde, is afgewezen, wordt de derde-beslagene (in het laatste geval met beteekening van het afwijzend vonnis) gedagvaard om verklaring te doen op dezelfde wijze, en met dezelfde gevolgen, als bij de artt. 740 en volgende is bepaald (1—4).

I. Bij de resolutiën van 1 April 1882, no. 37, en 2 Aug. 1883, no. 59, Periodiek Woordenboek no. 6954, is, in overeenstemming met het Vonnis van de Arr. Rechtbank te Maastricht van 30 Dec. 1852, W. v. h. R. no. 1425, te kennen gegeven, dat, indien de termijn van art. 477, om in verzet te komen, is verstreken, zonder dat verzet gedaan is, de dagvaarding van den derden-beslagene, om verklaring te doen, uiterlijk moet plaats hebben binnen ééne maand na het verstrijken van den in art. 4/7, tot het doen van verzet, gestelden termijn.

%. Volgens de artt. 740 en 741 moet, bij het conservatoir beslag, de dagvaarding, tot het doen van verklaring, worden gedaan binnen ééne maand, nadat het beslag, bij vonnis, is van waarde verklaard.

Die van-waarde verklaring komt bij het executoriaal beslag niet te pas, maar daarvoor treedt in de plaats het tijdstip, waarop het beslag van rechtswege van waarde wordt. Verg. aant. 5 op art. 476.

De dagvaarding, tot het doen der verklaring, moet dus geschieden binnen ééne maand na het verstrijken van den termijn, bedoeld in art. 477, of nadat een gedaan verzet is afgewezen.

Zie de volgende aanteekening.

3. Heeft binnen veertien dagen na het verstrijken van den termijn, bedoeld in art. 477 W. v. B. R., of nadat een gedaan verzet is afgewezen, geen betaling plaats gevonden, dan doet de Ontvanger hiervan mededeeling aan den Directeur, onder overlegging van het dwangbevel, in originali, met akte van beteekening, het proces-verbaal van beslag en de akte van beteekening van dat beslag aan den belastingschuldige, (a). Instructie Invordering, § 67.

Sluiten