Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

852

Bijlage D (Burg, Rechtsv.). — Artt. 479—480.

(o) De termijn van veertien dagen is gesteld, om den belastingschuldige de gelegenheid te geven, ter besparing van kosten, nog vóór de dagvaarding van den derden-beslagene, tot het doen van verklaring, te betalen.

De stukken worden door den Directeur gesteld in handen van den Rijksadvocaat, die ze, zoo noodig, doorzendt aan den betrokken procureur, door wiens tussehenkomst de dagvaarding geschiedt. Zie art. 1 van het Kon. besluit V. 1908, no. 14.

De dagvaarding wordt, in zake directe belastingen en ongevallenpremie, beteekend door een deurwaarder der directe belastingen. Zie aant. 7 op art. 20 der Wet op de Invordering. . > ,\ J"

Opgemerkt wordt, dat voor het leggen van het beslag de tussehenkomst van een procureur niet wordt vereischt.

4. Indien een gelegd derden-beslag op den len Maart aan den geexecuteerde is beteekend, gaat de termijn, bedoeld bij art. 477, eerste lid, den 2en Maart in; zie aant. 1 op dat artikel. Die termijn eindigt dus op den 9en Maart.

Indien er geen verzet gedaan is, begint de termijn van veertien dagen, bedoeld bij § 67 der Instructie Invordering, te loopen op den lOen Maart. Die termijn eindigt op den 23en Maart.

De stukken kunnen dus niet vóór den 24en Maart aan den Directeur worden toegezonden.

Derde Afdeeling.

Van de verdeeling van de opbrengst der executie (1—2).

1. De bepalingen van de derde Afdeeling gelden mede ten aanzien der verdeeling van de opbrengst van bij executie verkochte schepen, van tien lasten en daarbeneden. Zie art. 581 W. v. B. R.

%. Verg. art. 754.

Art. 480. Indien er geen schuldeischer is die verzet gedaan heeft, wordt aan den beslaglegger, na aftrek der kosten van executie, de som betaald welke hem verschuldigd is, tot het bedrag van de opbrengst der executie (1—2).

Indien er overschot is, wordt hetzelve aan den geëxecuteerde verantwoord (3).

1. Het einddoel van ieder beslag en executie is de verdeeling der opbrengst der in beslag genomen goederen, tusschen de rechthebbenden. Drie gevallen kunnen daarbij plaats hebben:

1°. dat de executie slechts door één schuldeischer gedaan is (in dat geval wordt aan hem zijn vordering voldaan, geheel of gedeeltelijk, naar mate de koopprijs strekt);

2°. dat er meer schuldeischers zijn, die het onderling en met den geëxecuteerde eens zijn omtrent de verdeeling; en

3°. dat men het onderling niet eens kan worden en dat dus een gerechtelijke verdeeling moet plaats hebben.

In al deze gevallen worden van de opbrengst in de eerste plaats afgetrokken de kosten van executie, die vóór alle schuldvorderingen bevoorrecht zijn (art. 1185 B. W.) en wordt aan den geëxecuteerde het overschot, zoo dat er mocht zijn, na volledige betaling van den executant, en van alle andere schuldeischers, uitgekeerd. Verg. Fiscus no. 655.

2. Verg. § 69 der Instructie Invordering, opgenomen onder art. 14 der Wet op de Invordering.

Sluiten