Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bijlage D (Burg. Rechtsv.). — Artt. 489—491.

355

1. Het beroep in cassatie moet, in verband met het bepaalde bij art. 398, tweede lid, W. v. B. R., worden ingesteld binnen acht en twintig dagen na de uitspraak.

2. Volgens de Pinto (zie Fiscus no. 657) moet de voorziening in cassatie, hoewel de wet het niet uitdrukkelijk bepaalt, ook worden beteekend aan den Griffier, vermits zonder dat, de Rechter-commissaris van de voorziening geen kennis zou dragen. Verg. art. 487, met aant. 1.

Art. 490. Na het sluiten van het proces-verbaal van verdeeling, hebben de belanghebbenden onderling geen recht meer tot de interessen van hetgeen aan hen is aanbedeeld (1).

1. Volgens de Pinto blijven de interessen evenwel loopen tegen den schuldenaar. Verg. art. 559 W. v. B. R. Fiscus no. 657.

DERDE TITEL.

Van de gerechtelijke uitwinning van onroerende goederen (1—8).

1. Zie aant. 13, lett. B, en de aantt. 16—18 op art. 14 der Wet op de Invordering.

2. Wanneer onroerende goederen moeten worden geëxecuteerd, behoort vooraf te worden onderzocht hoeveel de kosten van uitwinning ongeveer zullen bedragen.

Is de raming der kosten van uitwinning hooger dan de te verwachten opbrengst van den verkoop, dan behoeft niet van uitwinning te worden afgezien, indien het voor de verzekering der belasting wenschelijk is, dat de goederen in andere handen overgaan.

Tot executie van onroerend goed wordt niet overgegaan, dan nadat gebleken is, dat de belasting niet op andere wijze kan worden ingevorderd (a). Instructie Invordering, § 70.

(o) Zie aant. 136, noot o, op art. 14 der Wet op de Invordering; zie mede aant. 163 aldaar en aant. 19 op art. 12 dier wet.

3. Tot het leggen van beslag op onroerende goederen heeft de Ontvanger de machtiging van den Directeur noodig. Instructie Invordering^

§ 54.

Deze machtiging wordt niet vereischt wanneer het betreft de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, afkomstig van de Rijksverzekeringsbank. Zie § 14 der I. O.

Eerste Afdeeling.

Algemeene bepalingen.

Art. 491. De schuldeischer van een vonnis of anderen executorialen titel voorzien, kan de onteigening bij executie vorderen:

1°. Van onroerende goederen welke in den handel zijn, met derzelver toebehooren, voor zooverre dit laatste als onroerend goed beschouwd wordt ;

2°. Van het vruchtgebruik derzelve goederen en hun toebehooren (1);

3°. Van de rechten van opstal en erfpacht (2);

4°. Van de grondrenten, hetzij in geld, hetzij in natura verschuldigd (3) i

Sluiten