Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bijlage D (Burgi Rechtsv.). — Artt. 741—742.

375

Een maximum termijn is dus niet gesteld.

Nu de verklaring moet bevatten, hetgeen de derde-beslagene tijdens het leggen van het beslag onder zich had en sedert (tot den dag der ververklaring) heeft verkregen (a), kan de termijn van dagvaarding zóó lang worden gesteld als dit mei het oog op het te vorderen bedrag dienstig is; zie Fiscus no. '1170.

Dit is speciaal van belang bij beslag op lage loonen (verg. art. 1638g B. W., in aant. 109 op art. 14 der Wet op de Invordering), in verband met de bepaling van art. 744, dat aan den derden-beslagene, door den executant, c. q. alle kosten moeten worden vergoed en deze dus uit de afgegeven gelden of goederen zullen moeten worden bestreden.

Verg. aant. 2 op art. 751 hierna.

(o) Zie aant. 46 op art. 14 der Wet op de Invordering.

Art. T4S. De verklaring zal met redenen moeten omkleed zijn (1—2); zij zal inhouden: eenen staat der gelden of roerende goederen, welke de derdegearresteerde onder zich heeft (8—4); de vermelding van de oorzaak, en van het bedrag van deszelfs schuld; van de betalingen op rekening, zoo dié mochten hebben plaats gehad, en van de wijze van schuldkwijting indien de derde-gearresteerde beweert niets meer schuldig te zijn, en in allen gevalle de andere mbeslagnemingen welke onder hem mochten zijn gedaan (5).

1. Het is voldoende, dat de verklaring met redenen omkleed zij, dat is: vermeldende al de bijzonderheden, die men in art. 742 vindt opgeteekend. Het is niet noodig, dat de derde-gearresteerde tevens het bewijs levere van de deugdelijkheid zijner verklaring, ook dan zelfs niet, wanneer die verklaring bloot negatief is en alleen inhoudt, dat hij aan den gearresteerde niets meer schuldig is. De executant, die de verklaring wil betwisten, moet de ondeugdelijkheid daarvan bewijzen. Dit volgt duidelijk uit den inhoud en het verband der artt. 742, 749 en 750. Zie voorts de Arresten van den Hoogen Raad van 6 Januari 1843 en 11 Dec. 1845, alsmede een Vonnis der Arr. Rechtbank te Rotterdam van 13. Juni 1842, W. v. h. R. nos. 336, 362 en 782. De Pinto; zie Fiscus po. 654.

9. Als een door de wet gevorderde verklaring kan niet worden beschouwd iedere mededeeling, die de derde-gearresteerde een „verklaring" gebeft te noemen, doch bloot die mededeelingen, die in dier voege volledig zijn, dat der wederpartij, zoo noodig, de gelegenheid wordt geboden, om de waarheid daarvan te betwisten (a) en den Rechter de mogelijkheid wordt geboden, om die, met gebruikmaking van de hem in art. 750 W. v. B. R. verleende bevoegdheid, te verbeteren. Vonnis van de Arr. Rechtbank te Rotterdam van 6 Dec. 1900, Fiscus no. 661.

(o) Verg. aant. 1 op art. 749.

3. De verklaring moet bevatten, niet hetgeen de derde-beslagene onder zich had tijdens het leggen van het beslag, maar hetgeen hij onder zich heeft tijdens het afleggen der verklaring. Zie bet Arrest van den Hoogen Raad van 17 Januari 1902, in aant. 46 op art. 14 der Wet op de Invordering.

Verg. aant. 4 op art. 741.

4. Zie aant. 46, noot b, op art. 7 der Wet op de Invordering.

5. Verg. aant. 11 op art. 475.

Sluiten