Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bijlage E. (Faillissementswet). — Artt. 19—22.

387

Omtrent vórm en inhoud van het register worden door Ons bij al gemeenen maatregel van bestuur nadere regels gegeven (5).

De griffier is verplicht aan ieder kostelooze inzage van het register en tegen betaling een uittreksel daaruit te verstrekken.

Op het register bestaat een alphabetische klapper.

1. Zie de artt. 138, e.v.

2. Zie de artt. 165, e.v.

3. Zie de artt. 179, e.v.

4. Zie de Elfde Afdeeling.

5. Het model van het hier bedoelde register is vastgesteld bij Kon. besluit van 17 Juni 1896, S. no. 97.

Tweede Afdeeling.

Van de gevolgen der Faillietverklaring.

Art. 20. Het faillissement omvat het geheele vermogen van den schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft.

Art. 21. Niettemin blijven buiten het faillissement (1):

1°. de goederen vermeld in art. 447, nos. 2—5 van het Wetboek van Burgerlijke Bechtsvordering, de gelden of jaarwedden vermeld in art. 756, 8°. van dat Wetboek, de gage, indien de gefailleerde schipper of schepeling is, en het auteursrecht in de gevallen, waarin het niet vatbaar is voor beslag; alsmede hetgeen in het eerste lid van art. 448 van genoemd Wetboek omschreven is, tenzij in het faillissement schuldeischers opkomen wegens vorderingen, vermeld in het tweede lid van dat artikel;

2°. hetgeen de gefailleerde of zijne echtgenoote ingevolge eene krachtens art. 1637f van het Burgerlijk Wetboek aangegane arbeidsovereenkomst gedurende het faillissement door persoonlijke werkzaamheid verkrijgt of een gedeelte daarvan, ter beoordeeling van den rechter-commissaris;

3°. de gelden, die aan den gefailleerde verstrekt worden ter voldoening aan eenen wettelijken onderhoudsplicht;

4°. een door den rechter-commissaris te bepalen bedrag uit de opbrengst van het in art. 366 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde vruchtgenot, ter bestrijding van de in art. 367 van dat Wetboek vermelde lasten;

5°. de uitkeering, die de gefailleerde, krachtens de bepaling van art. 373 van het Burgerlijk Wetboek, uit de inkomsten zijner kinderen geniet.

1. De renten, toegekend bij de Ongevallenwet 1901, zijn ingevolge art. 73 dier wet tot een beloop van / 260,— 's jaars niet vatbaar voor faillissementsbeslag.

Verg. § 55 der Instructie Invordering, opgenomen onder art. 14 der Wet op de Invordering. Zie mede aant. 111 op dat artikel.

Art. 22. Indien de gefailleerde wegens een ambt of bediening, een traktement, soldij of pensioen geniet, waarop schuldeischers alleen binnen de grenzen en op de wijze, voorgeschreven bij de bijzondere wetten en wettelijke verordeningen op dit onderwerp vastgesteld, rechten kunnen doen gelden, geschiedt de uitoefening dier rechten, gedurende het faillissement, uitsluitend

Sluiten