Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

888

Bijlage E (Faillissementswet). — Artt. 22—25.

door den curator ten behoeve van den boedel, en nemen door de faillietverklaring alle rechten, door afzonderlijke schuldeischers verkregen, een einde (1—2).

In dit en het vorige artikel wordt onder „gefailleerde" mede begrepen de echtgenoot van den in eenige gemeenschap gehuwden gefailleerde.

1. Het eerste lid bevat een eenvoudige toepassing van algemeene beginselen. Volgens de wet van 24 Januari 1815, S. no. 5 (a), jo. art. 40 der wet van 9 Mei 1846, S. no. 24, art. 30 der wet van 9 Mei 1890, S. no. 78, en art. 22 der wet van 9 Mei 1890, S. no. 79, zijn traktementen en pensioenen ten laste des Rijks slechts binnen bepaalde grenzen voor executie vatbaar, terwijl tevens ééne eigenaardige wijze van executie (door verleening van korting) wordt voorgeschreven. Bij het faillissement, de algemeene vermogensexecutie, moet hiermede rekening worden gehouden. Alleen voor zoovere executabel kan het traktement of pensioen ten bate van den boedel komen, terwijl de executie moet geschieden bij wijze van korting door den curator in zijn hoedanigheid aan te vragen. Evenals alle individueele executies een einde nemen, behoort dit ook het geval te zijn met vóór de faillietverklaring verleende kortingen. De redactie, is ruim gesteld, rekening houdende met de mogelijkheid, dat de bestaande regeling der executie van bezoldigingen, pensioenen, enz., later voor een nieuwe mocht plaats maken. Mem. v. T.

(a) De artt. 1—5 der wet van 1815 zijn opgenomen in aant. 1 op Hoofdstuk II der Instructie Invordering (bijl. A). Zie mede aant. 6, noot 6, aldaar.

2. Art. 22 is een uitzondering op den regel van art. 20, dat het faillissement omvat het geheele vermogen van den schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft. Art. 22 sprekende van een traktement, soldij of pensioen, waarop schuldeischers alleen rechten kunnen doen gelden krachtens bijzondere wetten en wettelijke verordeningen, eischt voor de uitzondering op den regel van art. 20, een verbod van inbeslagneming, hoedanig verbod art. 757 van het W. v. B. R. bevat.

Een riddersoldij, toegekend overeenkomstig art. 8 der wet van 30 April 1815, S. no. 33*, zooals dit nader is gewijzigd, is niet een „traktement, soldij of pensioen", in art. 22 bedoeld, en blijft dus niet buiten het faillissement. Arrest van den Hoogen Raad van 16 Dec. 1904, W. v. h. R. no. 8158; verg. Weekblad no. 2018.

Art. 23. Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behoorend vermogen, te rekenen van den dag waarop de faiUietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen.

Art. 24. Uit verbintenissen, door den schuldenaar na de faiUietverklaring aangegaan, ontstaan geene aanspraken tegen den faillieten boedel, dan voor zooverre deze ten gevolge daarvan is gebaat.

Art. 25. Rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot den faillieten boedel behoorende ten onderwerp hebben, worden zoowel tegen als door den curator ingesteld.

Indien zij, door of tegen den gefailleerde ingesteld of voortgezet, eene veroordeeling van den gefailleerde ten gevolge hebben, heeft die veroordeeling tegenover den faillieten boedel geene rechtskracht.

Sluiten