Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bijlage B (Faillissementswet). — Artt. 193—199.

408-

hunner vorderingen is uitgekeerd, of zoodra de slotuitdeelingshjst verbindend is geworden, neemt het faillissement een einde, behoudens de bepaling van art. 194. Door den curator geschiedt daarvan aankondiging op de wijze bij art. 14 bepaald.

Na verloop van eene maand doet de curator rekening en verantwoor<ling van zijn beheer aan den rechter-commissaris.

De boeken en papieren, door den curator in den boedel gevonden, worden door hem tegen behoorlijk bewijs aan den schuldenaar afgegeven.

Art. 194. Indien na de slotuitdeeling ingevolge art. 189 gereserveerde uitdeelingen aan den boedel terugvallen, of mocht blijken dat er nog baten van den boedel aanwezig zijn, welke ten tijde der vereffening niet bekend waren, gaat de curator, op bevel van de rechtbank, tot vereffening en verdeeling daarvan over op den grondslag van de vroegere uitdeelingshjsten.

Achtste Afdeeling.

Van den rechtstoestand des schuldenaars na afloop van de vereffening.

Art. 195. Door het verbindend worden der slotuitdeelingslijst herkrijgen de schuldeischers voor hunne vorderingen, in zooverre deze onvoldaan zijn gebleven, bunne rechten van executie op de goederen van den schuldenaar (1).

1. Indien een faillissement door het verbindend worden der uitdeelingslijst geëindigd is, kan een schuldeischer van een in de uitdeelingslijst begrepen vordering, als iedere andere schuldeischer de failhetverklaring van zijn schuldenaar aanvragen. Mitsdien is onnoodig dat hij zich er op beroept, dat na afloop van het faillissement verandering in den vermogenstoestand van den schuldenaar is gekomen. Beschikking van den Hoogen Baad van 8 Febr. 1912, W. v. h. R. no. 9326, Weekblad no. 2095.

Art. 196. De in het vierde lid, van art. 121 bedoelde erkenning eener vordering heeft kracht van gewijsde zaak tegen den schuldenaar; het procesverbaal der verificatievergadering levert voor de daarin als erkend vermelde vorderingen den voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op tegen den schuldenaar (1).

1. Verg. het laatste lid van § 9 der I. O., benevens aant. 9 op die paragraaf, in bijl. C II. Zie mede aapt. 8 op art. 14 der Wet op de Invordering.

Art. 197. De bepaling van het vorige artikel geldt niet voor zoover de vordering door den gefailleerde overeenkomstig art. 126 betwist is.

Negende Afdeeling,

Van het faillissement eener nalatenschap.

Art. 198. De boedel eens overledenen wordt in staat van faillissement verklaard, indien een of meer der schuldeischers daartoe verzoek doen, en summier aantoonen, dat de overledene in den toestand verkeerde dat hij had opgehouden te betalen.

Art. 199, enz.

Sluiten