Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJLAGE F.

Het beslag onder derden.

Nu in verband met de Arresten van den Hoogen Baad van 1 Juni 1900 en 17 Januari 1902, in zake directe belastingen, het beslag onder derden belangrijk meer wordt toegepast dan voorheen, moge een kort overzicht der formahteiten, aan het leggen van dat beslag verbonden, hier een plaats vinden.

Tot het leggen van derden-beslag mag alleen worden overgegaan wanneer blijkbaar onwü tot betalen in het spel is en verder is aan te nemen, dat beslaglegging op de roerende goederen, welke de belastingschuldige onder zich heeft, niet tot het gewenschte resultaat zou leiden (Instructie Invordering, § 64).

Hieruit volgt dus:

1°. dat geen derden-beslag moet worden gelegd, zoolang de belasting door rechtstreeksche executie der roerende goederen te verhalen is;

2°. dat derden-beslag gelegd kan worden, niettegenstaande de belastingschuldige onroerende goederen bezit, waarop de belasting verhaalbaar is. Tot de executie van onroerende goederen mag nl. eerst worden overgegaan, nadat alle andere middelen zijn uitgeput (Instructie Invordering, § 70).

De onverhaalbaarheid der belasting op de roerende goederen zal moeten blijken uit een verklaring of proces-verbaal van^onvermogen van den deurwaarder.

In den regel zal de ongenoegzaamheid dier goederen wel kunnen worden geconstateerd bij de beteekenmg van bet dwangbevel, zoodat met de opmaking van een verklaring van onvermogen kan worden volstaan.

Opgemerkt wordt, dat, bij voorgenomen derden-beslag, de beteekening van het dwangbevel niet mag worden nagelaten (verg. § 49 der Instructie Invordering), omdat het dwangbevel niet kan worden ten uitvoer gelegd, zonder voorafgaande beteekening aan den belastingschuldige (art. 14 der wet).

Wanneer de deurwaarder van meening is, dat er voldoende termen aanwezig zijn om derden-beslag te leggen, behoort hij dit aan den Ontvanger, bij de teragzending van het dwangbevel (met verklaring of proces-verbaal van onvermogen) te rapporteeren. Wat betreft het beslag op loon, zal de deurwaarder in de eerste plaats moeten onderzoeken, bij wien de belastingschuldige in-loondienst is, hoe groot het loon en hoe groot het gezin is, of er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, die de betaling hebben belet, bijv. ziekte, enz. Verg. art. 65, § 8, der Wet op de Personeele belasting en § 1, sub 1, der res. V. 1905, no. 18.

Mondeling overleg tusschen Ontvanger of deurwaarder en werkgever geeft vaak goede resultaten. De werkgever is dikwijls niet ongenegen zijn invloed •op den werknemer aan te wenden, hetgeen meermalen tot voldoening der belastingschuld heeft geleid.

Wanneer eindelijk tot het leggen van beslag onder derden wordt besloten, moet allereerst de machtiging worden gevraagd van den Directeur, in wiens

Sluiten