Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE DUITSCHE STRIJDMACHT

29

te vermelden beschouwingen over het Duitsche operatieplan, wordt hier de aandacht gevestigd op hetgeen de luitenant-generaal Tappen, in 1914 chef van de afdeeling „OperatiëoT bij den chef van den generalen staf van het veldleger, omtrent het oprukken door België schrijft in zijn in 1920 verschenen brochure. Hij zegt n.1. dat voor het mobilisatiejaar 1914—15 na nauwgezette berekening was vastgesteld, dat niet meer dan 12 legerkorpsen ten Noorden van de Maas door België konden oprukken. Wij komen later, bij de bespreking van de concentratie der Duitsche legers hierop terug.

Voor de verpleging der troepen werden groote moeilijkheden gewacht van de regeling van den opmarsch door België. Generaal Tappen schrijft, dat er op gerekend werd, dat de Belgische spoorwegen grondig vernield zouden worden en weken achtereen niet door de Duitschers gebruikt zouden kunnen worden. Daarom werden de beschikbare lastauto's aangewend ten dienste van de verpleging der troepen van den omzwenkenden rechter vleugel. Ook daaruit blijkt, zegt Tappen, dat een verder gaande versterking, hoe wenschelijk die op zich zelf ook mocht zijn, op zuiver technische maatregelen moest afstuiten. Bij het bepalen van de in 1914 toegepaste regeling had de sterkte van den rechter vleugel de grens van het mogelijke bereikt.

Het aanvankelijk, in Sleeswijk-Holstein achtergehouden 9e Reserve-korps kon, als reserve voor de legerleiding, naar omstandigheden gebruikt worden. Bij het vorderen van de operatiën was het meest rationeele, dat het op den rechter vleugel werd ingezet.

Deze mededeelingen van generaal Tappen helderen evenwel niet op, waarom niet achter de voorste, in eerste linie oprukkende legerkorpsen, eenigs-

Sluiten