Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34

STRIJDKRACHTEN EN OPERATIEPLANNEN

veroveren van de Fransche grensvestingen te veel tijd fcou vorderen. Dat front moest daarom door den opmarsch der Duitsche legers over Belgisch gebied worden omgetrokken. De hoofdmacht moest daartoe, met bij Metz-DiedenhoVé«2aangeleundèn linker vleugel, in breed front door Luxemburg, België en Noord-Frankrijk naar links omzwenken; de Fransche legers, overal waar men ze aantrof, met kracht aanvallen, slaan en terugdrijven. De omzwenkende rechter vleugel moest bijzonder sterk zijn, zeer snel oprukken, West- en Zuidwaarts om Parijs heenbuigen naar het Oosten, en in nauw verband met het centrum, de Fransche hoofdmacht als het ware trachten te omsingelen en terug te werpen op de Moezel-vestingen, de Jura en de Zwitsersche grens. Schlieffen legde er bijzonderen nadruk op, dat de uitslag dezer operatie vooral afhing van het snel en zeer krachtig optreden en doordringen van den omzwenkenden réchter vleugel. Deze moest daartoe worden gesteund door acht legerkorpsen uit aanvullings(Ersatz) troepen, die zoodra doenlijk daarheen moesten worden aangevoerd. De étappelijnen en de spoorwegen moesten beveiligd worden door landstormtroepen en landweerafdeelingen uit de Duitsche vestingen, zoodat daarvoor geen af deelingen aan de hoofdmacht werden onttrokken. Het verkrijgen van een snelle beslissing beheerschte hier alles.

De Duitsche linker vleugel speelde in dit veldtochtsplan een minder belangrijke rol. In Elzas en Lotharingen moest getracht worden met betrekkelijk zwakke troepen, zooveel mogelijk Fransche legerafdeelingen bezig te houden en te binden. Een Fransche aanval werd —zooals reeds opgemerkt is — hier zelfs wenschelijk geacht, omdat de daarvoor bestemde troepen niet zouden kunnen optreden tegen het centrum en vooral rliBt tegen

Sluiten