Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12

de inkomsten uit bezittingen, makingen, collecten, subsidies of andere vrijwillige bijdragen alsmede van de uitgaven voor onderstand van allerlei aard, voor beheer en voor andere doeleinden gedurende het laatst afgeloopen dienst- of kalenderjaar.

2. De besturen van de burgerlijke en gemengde instellingen verstrekken bovendien alle opgaven, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken gevraagd.

3. De opgaven van het aantal bedeelden en verpleegden en van de uitgaven voor onderstand van allerlei aard worden verstrekt naar eene bij algemeerien maatregel van bestuur vast te stellen indeeling.

4. De opgaven, in dit artikel bedoeld, worden door den armenraad of door Burgemeester en Wethouders gezonden aan Onzen voornoemden Minister.

Artikel 14.

1. Aan andere dan burgerlijke instellingen van weldadigheid worden subsidies uit de gemeentefondsen niet verstrekt dan in zeer bijzondere gevallen en bij een met redenen omkleed, aan de goedkeuring van Gedeputeerde" Staten onderworpen, besluit van den gemeenteraad. De armenraad wordt vooraf gehoord.

2. De subsidies worden telkens voor niet langer dan één jaar verleend.

3. Zij worden niet verleend, dan nadat aangetoond is:

a. dat de verzorging van armen en het toezicht op de ondersteunden op doeltreffende wijze geschiedt;

b. uit de rekening en verantwoording van de inkomsten en uitgaven van de instelling over het laatst afgeloopen jaar en de begrooting voor het loopende of volgende dienstjaar, dat de subsidie volstrekt noodzakelijk is;

c. dat ten behoeve van de instelling op redelijke wijze is en wordt bijgedragen door hen, van wie overeenkomstig haar aard in den regel bijdragen verwacht kunnen worden en dat haar bestuur heeft gedaan en blijft doen, wat in zijn vermogen is, om die bijdragen te doen toenemen;

d. dat het bestuur van de instelling overeenkomstig haar aard en bestemming aan zijne verplichtingen naar vermogen voldoet;

e. dat de instelling, indien een armenraad bestaat en zij tot vertegenwoordiging daarin

gerechtigd is, van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

4. Van de vervulling van de voorwaarden, gesteld in het derde lid, moet uit het besluit blijken.

Artikel 15.

1. Openbare inzameling van gelden ten behoeve van instellingen van weldadigheid, bij wege van collecte, inschrijvingen of op eenige andere wijze, heeft niet plaats dan nadat daarvan, ten minste driemaal vier en twintig uren te voren, schriftelijk kennis is gegeven aan Burgemeester en Wethouders.

2. Burgemeester en Wethouders kunnen de inzameling stuiten.

3. Het bestuur der betrokken instelling kan tegen de stuiting bij Ons in beroep komen.

4. Van de toepassing van dit artikel zijn uitgezonderd collecten in kerkgebouwen bij de uitoefening van den openbaren eeredienst, en die, voor instellingen eener kerkelijke gemeente, enkel aan de huizen van de lidmaten dier gemeente.

Artikel 16.

1. Gelden, die moeten worden geacht bestemd te zijn ten behoeve van alle de noodlijdenden, zonder onderscheid van godsdienst, welke in eene gemeente door armeninrichtingen bedeeld worden, worden door den armenraad en, bij gebreke van dezen, door Burgemeester en Wethouders verdeeld onder de kerkelijke, bijzondere en gemengde instellingen van weldadigheid in verhouding van de gelden, door die instellingen voor ondersteuning besteed.

2. Bij algemeenen maatregel van bestuur worden nadere voorschriften voor die verdeeling gegeven.

HOOFDSTUK II.

Van de burgerlijke en de gemengde instellingen.

Artikel 17.

1. Burgerlijke instellingen, opgericht door de burgerlijke overheid, kunnen, indien daaromtrent in de statuten of in den stichtingsbrief niets anders is bepaald, worden opgeheven door de burgerlijke overheid, door of vanwege welke zij bestuurd worden.

2. Gemengde instellingen, opgericht door

Sluiten