Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17

2. Voor zooveel noodig wordt de wijze, waarop wordt uitgelokt de beslissing over de vraag, uit welke kas de in het eerste lid bedoelde kosten zullen worden voldaan, door Ons geregeld.

Artikel 40.

1. Indien een arme, die op kosten van eene gemeente of van eene aldaar gevestigde burgerlijke instelling wordt ondersteund, bij zijne komst in die gemeente reeds verkeerde of korten tijd na zijne komst in die gemeente geraakte in een toestand, die ondersteuning noodzakelijk maakte, en indien Burgemeester en Wethouders of het bestuur van die instelling goede redenen hebben om te vermoeden, dat tot die komst eenige invloed van of vanwege den Burgemeester, Burgemeester en Wethouders of het bestuur van eene burgerlijke instelling in de vorige verblijfplaats van dien behoeftige heeft medegewerkt, deelen zij hun vermoeden met vermelding van de gronden, waarop het steunt, mede aan Gedeputeerde Staten. Dezen brengen de zaak ter kennis van Ons, indien de bij de zaak betrokken gemeenten in meer dan ééne provincie zijn gelegen.

2. Door Gedeputeerde Staten of door Ons kan bij met redenen omkleed besluit worden beslist, dat de kosten van de ondersteuning geheel of ten deele en voor een bij de beslissing te bepalen termijn komen ten laste van de vorige verblijfplaats van den arme of van eene in die gemeente gevestigde burgerlijke instelling.

3. De termijn, bedoeld in het vorige lid, wordt met betrekking tot armen, die tot werken in staat zijn, bepaald op ten hoogste een jaar.

4. Op verzoek van Gedeputeerde Staten worden personen door den rechter van het kanton, binnen hetwelk zij wonen of verblijven, opgeroepen en onder eede of belofte gehoord naar aanleiding van door Gedeputeerde Staten aan te wijzen vraagpunten. De kantonrechter maakt van de verhooren proces-verbaal op.

HOOFDSTUK IV. Van samenwerking tusschen onderscheidene instellingen van weldadigheid.

Artikel 41.

1. In eene gemeente of voor eenige gemeenten of gedeelten van gemeenten ge¬

zamenlijk kan door Ons een armenraad worden ingesteld.

2. Indien een armenraad voor eenige gemeenten of gedeelten van gemeenten gezamenlijk wordt ingesteld, wordt tevens bepaald, in welke gemeente de zetel van den raad gevestigd zal zijn.

3. De grenzen van het ambtsgebied van een armenraad kunnen door Ons worden gewijzigd.

Artikel 42.

1. Iedere instelling van weldadigheid, welke voorkomt op de lijst, bedoekt in artikel 3, en binnen het ambtsgebied van den armenraad armenverzorging buiten gestichten ten doel heeft, is bevoegd een vertegenwoordiger in den raad aan te wijzen. De burgerlijke instellingen zijn tot die aanwijzing verplicht. Bij gebreke van burgerlijke instellingen wijzen Burgemeester en Wethouders een vertegenwoordiger aan.

2. Eene instelling van weldadigheid evenwel, welke ingevolge art. 48 recht heeft, meer dan één bestuurslid te doen benoemen, heeft recht evenveel vertegenwoordigers in den raad aan te wijzen, als zij recht heeft bestuursleden te doen benoemen.

3. De ingevolge dit artikel aangewezen vertegenwoordigers vormen den armenraad.

4. De aanwijzing van vertegenwoordigers kan geschieden bij de oprichting van den armenraad en, voor zoover zij daarbij niet plaats vond, telkens zes maanden vóór het einde van den termijn van vier jaren, gesteld in art. 44. Zij treden evenwel eerst op na het verstrijken van dien termijn.

Artikel 43.

De armenraad kan eene instelling tot voorziening in een tijdelijken, algemeenen nood binnen zijn ambtsgebied verzoeken, mede een vertegenwoordiger aan te wijzen. Deze vertegenwoordiger heeft slechts eene raadgevende stem en houdt op lid te zijn van den raad, zoodra de door hem vertegenwoordigde instelling hare werkzaamheid van voorziening in den nood staakt.

Artikel 44.

1. De leden van den armenraad hebben zitting voor vier jaren. De aftredende leden kunnen terstond weder als vertegenwoordigers worden aangewezen.

2. De aanwijzing van vertegenwoordigers wegens periodieke aftreding geschiedt

Haqa - Akmenw.

Sluiten