Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23

Artikel 76.

Geschillen:

a. over de vraag, of eene mstelling is eene instelling van weldadigheid en tot welke der in art. 2 omschreven soorten zij behoort;

b. over de vraag, of goederen van eene instelling van weldadigheid onbeheerd zijn; of iemand, en zoo ja, wie tot het beheer daarvan krachtens de statuten of den stichtingsbrief gerechtigd is en of zij, die daartoe gerechtigd zijn, daarin niet binnen den door Ons vast gestelden termijn voorzien;

c. over verhaal van kosten van armenverzorging en over verhaalbaar bedrag dier kosten behalve die, bedoeld in het tweede lid'van art. 40;

d. over aanspraken, die mochten worden ontleend aan akten van indemniteit, borgtocht, ontslag, readmissie en dergelijke, afgegeven, of uit overeenkomsten tot het wederkeerig ondersteunen van elkanders armen, aangegaan vóór het in werking treden van de wet van 28 November 1818 (Staatsblad n°. 40) door gemeentebesturen en besturen van burgerlijke en gemengde instellingen;

behooren tot de kennisneming van de rechterlijke macht.

Artikel 77.

1. Een geschil, als bedoeld in het vorige artikel onder c, wordt aanhangig gemaakt bij een verzoekschrift, gericht tot den rechter van de woonplaats of de verblijfplaats der wederpartij. Het wordt door of namens de verzoekende partij onderteekend en wordt op straffe van nietigheid binnen drie dagen in afschrift beteekend aan de wederpartij.

2. De wederpartij kan binnen veertien dagen na dien der beteekening zich bij tegen-verzoekschrift, eveneens door of namens haar onderteekend en op straffe van nietigheid binnen drie dagen aan de verzoekende partij in afschrift beteekend, tot den rechter wenden. Is dit geschied, dan bepaalt deze den dag en het uur, waarop partijen of hare gemachtigden tot toelichting van de verzoekschriften zullen worden gehoord; die dag zal niet vroeger mogen gesteld worden dan veertien dagen en niet later dan drie maanden na de ontvangst van het tegen-verzoekschrift ter griffie.

3. De griffier geeft aan beide partijen bij te adviseeren dienstbrief kennis van

den dag en het uur, door den rechter bepaald.

4. De mondelinge toelichting blijft echter achterwege, indien beide partijen, hetzij bij hare verzoekschriften, hetzij ter griffie uiterlijk den derden dag na ontvangst van den dienstbrief, bij het voorgaande lid bedoeld, verklaren van eene mondelinge toelichting af te zien.

5. Ook indien geen tegen-verzoekschrift is ingediend, is de rechter bevoegd, alvorens uitspraak te doen, de verzoekende partij te doen oproepen, op de wijze bij het derde lid bedoeld, ten einde eene toelichting van haar verzoekschrift te vernemen, en haar zoodanige vragen te stellen, als hij dienstig zal oordeelen.

HOOFDSTUK VII. Strafbepalingen.

Artikel 78.

1. De bestuurders van instellingen van weldadigheid, die niet of niet behoorlijk voldoen aan de voorschriften, vervat in de artt. 6, 12, 13 en 54, worden gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

2. Zij, die ingevolge art. 7, tweede lid, gehouden tot de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, nalaten, die kennisgeving te doen, worden gestraft met geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

3. Bij eene veroordeeling ingevolge het eerste lid van dit artikel kan een termijn worden bepaald, binnen welken alsnog aan het overtreden voorschrift moet worden voldaan.

4. Bestuurders, die in gebreke blijven, alsnog binnen den door den rechter vastgestefden termijn, bedoeld in het voorgaande ud, aan het overtreden voorschrift te voldoen, worden gestraft met geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

Artikel 79.

Het hoofd of de bestuurder van een, niet door een pubüekrechtelijk lichaam uitgeoefend, bedrijf of eene, niet door een pubUekrechtelijk lichaam uitgeoefende, onderneming, die niet of niet tijdig behooriijk voldoet aan een, door den armenraad of door Burgemeester en Wethouders ingevolge art. 57 tot hem gericht, verzoek, of te dier zake onjuiste opgaven verstrekt, wordt

Sluiten