Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27

instellingen fondsen, die niet te haren name staan, in bewaring moeten worden gegeven; vastgesteld nadere voorschriften voor de uitvoering van artikel 48 der wet, voor de verkiezing van bestuursleden en plaatsvervangende bestuursleden van een armenraad overeenkomstig artikel 49 der wet en voor de voorbereiding van de eerste vergadering van een armenraad overeenkomstig artikel 50, eerste lid, der wet, alsmede, ingevolge artikel 56, tweede lid, der wet, welke bevoegdheden bij het huishoudelijk reglement van een armenraad aan het bestuur en welke aan het dagelijksch bestuür moeten of kunnen worden overgedragen;

Den Raad van State gehoord (advies van 9 Juli 1912, n°. 16);

Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 15 Juli 1912, n°. 5779, afdeeling Volksgezondheid en Armwezen;

Hebben goedgevonden en verstaan: met ingang van den dag, op welken de Armenwet in werking zal treden, vast te stellen het navolgende:

§ 1. Van de opgaven, bedoeld in art. 13 der toet. Artikel 1.

1. De opgaven van het aantal bedeelden, met uitzondering van hen, die bedeeld zijn door commissiën, die gedurende den winter uitdeelingen doen van levensmiddelen en brandstoffen, en van kraamvrouwen, bedeeld door genootschappen tot het verleenen van onderstand aan behoeftige kraamvrouwen, worden verstrekt naar de volgende indeeling:

A. Aantal hoofden van gezinnen.

B. Aantal overige personen.

Voor elke dier beide groepen wordt opgegeven het aantal personen, bedeeld: 1°. mét giften in ééns; 2°. gedurende een gedeelte van het jaar, en 3°. gedurende het geheele jaar.

C. Aantal mannen en vrouwen.

D. Aantal personen beneden twintig jaar, van twintig tot zeventig jaar en boven zeventig jaar.

E. Aantal personen, wier armlastigheid een gevolg was van:

1°. tijdelijke ziekte of tijdelijke ziels- of lichaamsgebreken;

2°. voortdurende ziekte of voortdurende ziels- of lichaamsgebreken;

3°. ouderdom;

4°. dood of ontstentenis van den kostwinner;"

5°. gemis of vermindering van werkgelegenheid;

6°. andere oorzaken.

F. Aantal personen, uitsluitend bedeeld in den vorm van uitbesteding in huisge¬

zinnen of verpleging in gestichten (ook die welke zijn verpleegd in gods- of ziekenhuizen), voor zoover ■ dat niet Regeer ingskinderen zijn.

G. Doortrekkenden, aan wie reisgeld of voedsel is verstrekt of aantal malen, dat dergelijke ondersteuning is verstrekt.

Artikel 2. De uitgaven voor ondersteuning van de in art. 1 bedoelde personen worden opgegeven naar de volgende indeeling:

A. Bedeeling met geld, geneeskundige hulp, rentelooze voorschotten, in natura en op alle andere, niet onder B en C vermelde wijzen.

B. Uitbesteding in gezinnen en verpleging in gestichten.

C. Bedeeling van doortrekkenden met reisgeld of voedsel.

Bovendien worden opgegeven de uitgaven voor subsidiën en bijdragen aan gemeenten en andere instellingen van weldadigheid ten behoeve van de verzorging van armen.

Mede wordt opgegeven hetgeen terug ontvangen is ter zake van:

1°. de bedeeling, bedoeld onder A of C;

2°. de uitbesteding, bedoeld onder B.

Artikel 3. De besturen der commissiën of vereenigingen, die gedurende den winter uitdeelingen doen van levensmiddelen of brandstoffen, geven op de uitgaven voor bedeeling met levensmiddelen en brandstoffen; de uitgaven voor subsidiën en bijdragen aan gemeenten en andere instellingen van weldadigheid ten behoeve van de verzorging van armen, alsmede de opbrengst van ver-

| kocnte levensmiaaeien oi Dranas tonen..

Sluiten