Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

42

worden, dan moet hij al een heel eind verarmd zijn, vóórdat van hulp sprake mag zijn. Om een voorbeeld te noemen. Een bekwaam timmerman komt achterop. In uitersten nood verkeert hij niet spoedig. Hij heeft meubeltjes, gereedschappen die verkocht of beleend kunnen worden; hij kan al minder en minder gaan wonen; zijn nette kleeren kunnen verkocht of verpand worden. Als die man dat alles heeft doorgemaakt, komt hij eindelijk aan den toestand van uitersten nood, maar als hij zóóver is, zal hij — zal althans menigeen — niet meer dezelfde zijn als vroeger. Hij zal niet alleen straatarm zijn geworden, maar hij zal iemand zijn van wien de hollanders zeggen: „de fut is er uit". Zoo iemand mocht nu onder de oude wet alleen met het allernoodigste geholpen worden, d.w.z. hij mocht — zoo karig mogelijk — alleen maar eten, dek en huisvesting krijgen en dat in wekelijksche bedeeling.

De wetgever van 1912 dacht anders dan die van 1854. De eerste begreep, dat iemand, waar „de fut" uit is door langdurige verarming, niet gemakkelijk meer te helpen is en dat aldoor bedeelen den man steeds slapper moet maken. Hij begreep ook, dat zoo iets per slot erg duur wordt, al is de bedeeling nog zoo karig en hij begreep, dat het veel wijzer kan zijn, den man eerder te laten helpen. Hoe minder ver iemand verarmd is, des te gemakkelijker, des te goedkooper ook is hij weer terug te brengen tot zelfstandigheid. Een timmerman zonder gereedschap is als een visch op het droge. Die visch krijgt men niet meer aan het zwemmen door wat water op 't zand te gooien — d. i. door bedeeling — maar door een bak met water, in casu door gereedschap.

Een ander voorbeeld. Eene weduwe heeft geene inkomsten. Bedeelen is verkeerd. Zij kan naaiwerk doen, maar dat kan tegenwoordig niet loonend zijn zonder eene naaimachine. Wie aan die weduwe eene naaimachine, desnoods met gehoudenheid tot afbetaling, geeft, helpt haar beter en per slot goedkooper, dan wie haar bedeeling geeft. Dergelijke hulp kan evenwel alleen baten als de arme nog niet in den uitersten nood verkeert, want als 't zoover is gekomen, zijn doorgaans lichaam en geest te veel achteruit gegaan voor geregeld werk uit eigen initiatief.

Wanneer iemand in uitersten nood verkeert, is de hulp vrij eenvoudig; wat geld voor eten enz. is voldoende. Voor wie nog niet zóó ver heen is, is 't minder eenvoudig. Bij zoo iemand moet onderzocht worden, wie en wat hij is, waardoor

Sluiten