Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

55

geschillen van bestuur, dat die gemeente nu nog te meer voor de kosten moest worden aansprakelijk gesteld.

Gecompliceerder, maar toch ook leerzaam, was het geval, dat bij Kon. besluit van 22 Januari 1915, no. 17, is berecht. Een vrouw woonde tot Augustus 1913 te Apeldoorn; zij kwam 10 Mei 1914 uitgeput te Gennep, waar haar in een gesticht nachtverblijf werd gegeven. Zij was acht dagen te voren van haar broeder te Bussum weggeloopen. De Burgemeester van Gennep wilde haar naar Bussum laten terugbrengen, maar Bussum berichtte, dat zij naar Apeldoorn moest worden overgebracht. Gennep gaf aan dien wenk gevolg, — maar brandde zich de vingers. De Kroon achtte Gennep, waar de vrouw zonder toedoen van Bussum aankwam en onderstand noodig had, verantwoordelijk voor de kosten.

Dat twee, die hetzelfde doen, nog niet hetzelfde doen, blijkt uit het Kon. besluit van 25 September 1915, no. 60. Gennep gaf reisgeld en moest de kosten betalen. EgmondBinnen gaf reisgeld aan een man, die op aandringen van familie naar Leeuwarderadeel wilde komen bij zijn vrouw, in de hoop daar den kost te zullen verdienen, maar die de reis niet zelf kon betalen. Het was billijk, dat er geen poging tot afschuiving in werd gezien, toen Egmond-Binnen den man het reisgeld verstrekte.

Daartegenover: de stads-Aalmoezenierskamer te Utrecht ried een vrouw, wier man in hechtenis was, te gaan naar haar vader in den Haag. De Aalmoezenierskamer betaalde de kosten van de reis en van de vracht van de meubelen. Deze feiten gaven aanleiding, dat bij Kon. besluit van 24 December 1915, no. 81, de Aalmoezenierskamer werd belast gedurende ten hoogste een jaar met de kosten van de ondersteuning, die de vrouw te 's-Gravenhage bleek noodig te hebben.

De reeks wordt voorshands besloten door een uiterst laconieke beslissing, bij Kon. besluit van 31 Maart 1916, no. 71 gegeven. Enschede verdacht Weststellingwerf, er toe te hebben medegewerkt, de kosten van de verpleging van idioten ten laste te doen komen van Enschede. Enschede werd met 't volgende kluitje in 't riet gestuurd: „Overwegende dat, daargelaten dat het bij uitstek twijfelachtig is, of, zooals de feiten zich hier voordoen, van toepassing van art. 40 sprake zou kunnen zijn, zelfs zoo het vermoeden van het gemeentebestuur van Enschede juist ware bevonden, de gegrondheid van bedoeld vermoeden niet is gebleken." Heeft Enschede geen gronden

Sluiten