Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

57

burgerlijke armenzorg. Rationeele en eenvoudige oplossing — als allen haar wilden aanvaarden. De ander zegt evenwelï dat eenige instellingen een arme helpen, is zoo erg nog niet, als de hulp maar door één hand bij dien arme komt. Het lijkt eenvoudig, maar de praktijk is o zoo gecompliceerd. Wie zal die ééne hand zijn? Die het meeste geeft? Het burgerlijk armbestuur put uit de rijkste beurs. Is het burgerlijk armbestuur het meest geschikt, om den arme behalve de materieele, ook de ideëele hulp te geven, die noodig is? Om de ziel van den arme te begrijpen en te eerbiedigen? Immers neen. Zal een diaken, in het algemeen een geloofsgenoot Izijn armen broeder overlaten aan de hoede van een ambtenaar of een ander persoon, alleen omdat die uit rijker beurs put?

Maar de vraag is er toch niet eene van materie in de eerste plaats? En toch— mogen de diakenen mooi weer spelen met de gelden, die het burgerlijk armbestuur hun verschaft? Kan men van het burgerlijk armbestuur verwachten, dat het daartoe medewerkt? Verlaagt de diaken zich niet, zoo hij het doet? Men ziet — 't is een probleem. De wetgever kon hierin geene oplossing voorschrijven, maar wel moest hij er aan denken, dat in veelheid van hulp een gevaar schuilt. Hij bepaalde zich er wijselijk toe, eene herinnering, eene vingerwijzing te geven. Wanneer, zoo bepaalt art. 31 van de nieuwe wet, de arme, die bij het burgerlijk armbestuur vraagt, reeds ondersteuning ontvangt van eene andere instelling van weldadigheid, dan wordt over het verzoek niet beslist, dan nadat zooveel mogelijk overleg is gepleegd met het bestuur van die instelling. Wordt ondersteuning toegekend, dan, aldus art. 31, wordt zooveel mogelijk gestreefd naar samenwerking en eenheid in de ondersteuning en in alles, wat met die ondersteuning samenhangt. Het bestuur van de burgerlijke instelling of Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd er toe mede te werken, dat de ondersteuning uitgereikt en het toezicht op den ondersteunde gehouden worde door één instelling. Het spreekt van zelf, dat de wet niet kon aangeven, welke die ééne instelling zijn zou — burgerlijk armbestuur, diaconie of particuliere instelling. Dat zal moeten afhangen van den geest, waarmede de handelende personen in ieder geval bezield zijn.

De verslagen van Gedeputeerde Staten*f'die zijn opgenomen in de jaarlijksche Regeeiangsverslagen over het armbestuur, teekenen een groote verscheidenheid. Meestal ziet men de

Sluiten