Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

66

eens goed aan; dan zal menigmaal de conclusie zijn, dat reeds daar onderling verband nuttig zou zijn. Maar men kan het daar met goeden wil gemakkelijk uit eigen kracht bereiken. Hoe grooter de plaatsen worden, hoe noodiger als dagelijksch brood, maar ook hoe moeilijker bereikbaar, het samenwerken van de instellingen wordt. Het gezond verstand zegt 't — maar de natuur is dikwijls zooveel sterker. De'hollandsche individualistische natuur, die zich tot begrijpen en waardeeren van het vreemde en tot het prijs geven van iets van zich zelf al zoo moeilijk leent, komt ook tegen dwang in verzet. Zij belet dus, dat iets anders wordt gedaan dan een beroep op den goeden wil. De memorie van toelichting merkt 't reeds op: „In de eerste

plaats moet dwang tegenover de liefdadigheid zijn

uitgesloten, vermits de geest tot samenwerking niet kan worden afgedwongen". Die geest moet dus met zorg en tact worden gekweekt. Ieder blijve vrij; blgve ook bij samenwerking zelfstandig baas in eigen huis; maar de schroom voor den buurman verdwijne.

Het zal nu duidelijk zijn, waarom hierboven werd gewezen op de beteekenis, den invloed van de houding der gemeentebesturen en der burgerlijke armbesturen. Is die houding waardeerend voor en vertrouwenwekkend bij de liefdadigheid, getuigt zij van een hooghouden van de bedoelingen des wetgevers, dan zal van overheidswege een krachtige invloed ten goede kunnen uitgaan. Is die houding daarentegen kleineerend voor de liefdadigheid en de bedoelingen des wetgevers, getuigt zij van eene zekere opvatting en een zeker streven, alsof toch eigenlijk de overheidsarmenzorg de beste is, dan zal de samenwerking nog moeilijker bereikbaar worden. In haar circulaire over de nieuwe wet schreef de Regeèring dan ook: „dat het instituut (de armenraad) berust op onderling vertrouwen en onderlinge waardeering tusschen de verschillende instellingen

van weldadigheid en alleen dan heilzaam kan werken,

indien dat vertrouwen en die waardeering zorgvuldig worden bevorderd en versterkt. Het is hierom dat ik een ernstig beroep doe op de organen der burgerlijke overheid en op de burgerlijke armbesturen, om, zooveel in hun vermogen ligt, den onmisbaren geest van vertrouwen en waardeering te bevorderen en, met handhaving van het aanvullend karakter van de burgerlijke armenzorg, alles te vermijden, wat daarvoor een beletsel zou kunnen zijn."

Sluiten