Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

73

In de derde plaats: Van eene inschrijving en van eene rangschikking geven Burgemeester en Wethouders, onder mededeeling van de gronden, waarop zij steunen, kennis aan het bestuur der instelling; de inschrijving wordt bovendien ter openbare kennis gebracht onder bijvoeging van de dagteekening der inschrijving.

In de vierde plaats: Schrapping van de lijst mag ingevolge art. 4 niet plaats vinden zonder goedkeuring van Gedeputeerde Staten; het besluit tot schrapping moet met redenen omkleed zijn. Dit alles geldt niet wanneer eene instelling is opgeheven, wanneer de burgerlijke rechter heeft beslist dat zij niet is eene instelling van weldadigheid of wanneer in het geval dat de wet van 1855 op haar van toepassing is, de burgerlijke rechter haar van de hoedanigheid van rechtspersoon vervallen heeft verklaard. In die drie gevallen mag de schrapping plaats vinden zonder goedkeuring van Gedeputeerden, die ook schrapping van de lijst kunnen gelasten. De schrapping moet overeenkomstig art. 4 ter openbare kennis worden gebracht onder bijvoeging van de dagteekening der schrapping.

Gedeputeerde Staten van Zuidholland hebben de nieuwe bevoegdheden reeds gehanteerd.

Het gemeentebestuur van den Haag schrapte in 1913 een drietal instellingen van de lijst: de vereeniging van den H. Vincentius van Paulo, voor zoover zij zich belast met het verstrekken van warm voedsel aan kinderen, die hare scholen bezoeken; de vereeniging tot verstrekking van warm voedsel aan arme schoolkinderen en het R. Kath. parochiaal armbestuur. Het gemeentebestuur achtte, dat de beide eerstgenoemde instellingen werkzaam waren ter bevordering van het schoolbezoek in den zin van art. 35 der Leerplichtwet; de derde instelling had niets dan administratieve werkzaamheden. Met het laatste gingen Gedeputeerden mede.

Werkzaam zijn ter bevordering van schoolbezoek evenwel neemt, naar hunne meening, niet weg, dat liefdadigheid beoefend wordt door de beide eerstgenoemde instellingen. Vele instellingen, die in speciale nooden voorzien, (b.v. verzorging van kraamvrouwen of tuberculoselijders) en die ook blijkens de geschiedenis van art. 1 der Armenwet als instellingen van weldadigheid zijn te beschouwen, streven als nevenof zelfs als hoofddoel na b.v. de bevordering van de volksgezondheid; het karakter van weldadigheid komt bij een instelling vaak minder uit in het doel, dan wel in de klasse van per-

Sluiten