Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

74

sonen, die zij helpen wil en in de wijze van werken. Het verstrekken van voedsel aan behoeftige schoolkinderen — welk doel men daarmede overigens ook beoogt — moet worden beschouwd als het beoefenen van weldadigheid.

Gedeputeerden van Zuid-Holland, feiten boven etiketten of leuzen stellende, volgen hier een volkomen juiste redeneering.

Dat de Regeering van denzelfden gedachtengang uitgaat blijkt uit haar practijk: de vereenigingen voor kinderzorg, voor zoover zij zich met de z.g. voogdijkinderen bemoeien, te beschouwen als instellingen van weldadigheid, en hare verrichtingen op te nemen in de statistiek van het armwezen.

De zorg voor de voogdijkinderen beoogt opvoeding tot nuttige leden der maatschappij — veelal van kinderen van t>n- en minvermogenden. Stelt men nu met Gedeputeerden van Zuid-Holland feiten boven etiketten, dan zegt men: dat is armenzorg, weldadigheid.

Dit college is dus in goed gezelschap.

Anders is 't gesteld met de z.g. Regeeringskinderen. Hier heeft men uitsluitend met een maatregel van straf te doen. Voor zooveel instellingen de zorg voor deze kinderen op zich nemen, behoeven zij dan ook geen mededeelingen voor de statistiek voor het armwezen te doen.

Wat de rangschikking betreft, wordt nog het volgende opgemerkt. Menige instelling, die als burgerlijke te boek staat, is in oorsprong allerminst burgerlijk, maar kerkelijk of particulier. In troebele tijden werden dergelijke instellingen zekerheidshalve wel onder overheidshoede gesteld; ook heeft de overheid zich wel eens bevoegdheden aangematigd, in welke aanmatiging men berustte. Hoe ook geworden, de toestand is aldus en sinds 1854 door de wet erkend, doordat als criterium is gesteld de feitelijke vraag, of een instelling door de burgerlijke overheid wordt geregeld en van harentwege bestuurd.

Het bestuur van het Roomsch-Katholiek Wees- en Armenhuis te Hoorn, dat een rangschikking als burgerlijke instelling trachtte ongedaan te krijgen met een beroep op den oorsprong der stichting, zag zich, na aanvankelijk succes bij de rechtbank, door den Hoogen Raad teruggewezen (arr. 26 Juni 1914) met het argument, dat de oorsprong niet ter zake doet en dat er van den beginne af gemeentelijke bemoeiing met de stichting is geweest.

Sluiten