Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

80

Verhaal.

bestuursleden daartoe vergrooten. Het Doopsgezind armbestuur zou mede deelen in de baten. De kerkeraad van de Ned. Herv. gemeente keurde de noodige wijziging in het reglement goed; het Roomsch Kath. armbestuur was er tegen; de gemeenteraad stoorde zich daar niet aan en stelde de wijzigingen vast bij besluit van 29 Maart 1912. Het Roomsch Kath. armbestuur wierp naar aanleiding hiervan een geschil op over de inrichting van het weeshuis. Het bestuur stelde o. m. strijd met art. 5 van de (oude) wet, aangezien niet alle betrokken instellingen de wijzigingen van het reglement hadden aanvaard. De Kroon had ingevolge art. 69, thans art. 74 der wet uitspraak te doen en zij besliste bij Kon. besluit van 1 Nov. 1912, no. 9, dat de gezamenlijke herziening van reglementen overeenkomstig art. 5 van de oude wet beteekent, dat alle bij de inrichting betrokken besturen er toe medewerken. Nu het Roomsch Kath. armbestuur de wijziging van het reglement niet aanvaard had, werd het raadsbesluit ten onrechte genomen geacht en vernietigd.

13. Belangrijk is het vijfde hoofdstuk, de artt. 63—73, handelende over het verhaal, waarbij eene nieuwe regeling is getroffen, die voor de instellingen van weldadigheid van groot nut kan zijn.

Art. 63 bepaalt: Alle kosten van verzorging van een arme, uitgezonderd loon voor arbeid, kunnen worden verhaald [gedurende 5 jaar na den 31sten December van het jaar, waarin de verzorging heeft plaats gehad (art. 73)] op den ondersteunde, indien hij tot teruggave daarvan in staat is, of op zijne nalatenschap, alsmede op hen, die ingevolge de wet tot zijn onderhoud gehouden zijn. De oude wet heeft meer dan eens aanleiding gegeven tot de vraag of de kosten van de eene of andere verzorging, b.v. van krankzinnigenverpleging, wel verhaalbaar zijn ingevolge de artikelen dier wet. Naar het schijnt, snijden de algemeene woorden van art. 63 allen- twijfel af. *) Alle kosten van verzorging van een arme, dus ook die van verzorging in een krankzinnigengesticht, zijn verhaalbaar. Art. 64 regelt het verhaal op den ondersteunde of zijn nalatenschap. Daarvoor is noodig een bevelschrift van tenuitvoerlegging, verleend door

1) Bij het arrest van den Hoogen Raad van 30 Mei 1913 werd dan ook tegen dit verhaal geen bezwaar gemaakt. Bij dat arrest is beslist, dat niet ieder van hen, die ingevolge de wet tot onderhond gehouden zijn, voor het volle bedrag kan worden aangesproken, omdat de Armenwet enkel de personen aanwijst tegen wie het verhaalsrecht kan worden uitgeoefend, maar uit niets blijkt, dat de verplichting tot teruggaaf van de verplegingskosten ondeelbaar is. Ieder der betrokkenen kan dus voor niet meer dan een evenredig deel worden aangesproken.

Sluiten