Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

R1CHARD REENS

AMSTERDAM

Het werk, waarvan dit eerste deel een reeks afbeeldingen geeft, beantwoordt zeker aan de beginselen en opvattingen, welke hiervoor als basis van deze uitgaven, zijn uiteengezet. De meubelen van Reens kenmerken zich door de afwezigheid van valsch effect door bijkomstige versiering, door een streven naar zuiverheid van vormen en juiste verhoudingen en door de liefde, welke er uit blijkt, voor den arbeid zeiven.

Temeer is deze arbeid van den heer Reens te waardeeren, omdat zijn onderneming niet door hem zeiven is gesticht, maar eene oude zaak is, welke reeds door een vorig geslacht, — onder den naam Gebroeders Reens, — werd gedreven, zoodat hij, toen hij die zaak in nieuwe banen ging leiden, een werk van algeheele hervorming ondernam, — wat dikwijls moeilijker is dan de stichting van een nieuw gebouw op zelf gelegde, nieuwe fundamenten. Ongetwijfeld zal het heel wat geestkracht gekost hebben om van een zaak, die, zooals alle zaken uit een vorige periode, onder leiding stond van menschen die bereid waren alles te maken en af te leveren wat door een, esthetisch vaak onopgevoed, publiek werd gevraagd, of zelfs geëischt, — te maken een toch wel zooveel hooger staande onderneming, waarin slechts gewerkt wordt op zoodanige wijze, dat de leiders van die onderneming hun arbeid ten volle voor hun esthetisch geweten kunnen verantwoorden. En niet slechts geestkracht moet daartoe noodig geweest zijn, maar ook overtuiging, en

liefde, en vertrouwen, en idealisme, — allemaal elementen zonder welke kunst, dus ook nijverheidskunst, — ondenkbaar is.

Dit geeft aan dat werk een zekeren adel, en vooral die charme, die in de dingen welke men in zijn „tehuis" om zich heen zal hebben, zoo noodig is om dat tehuis inderdaad tot een gelukkig, tot een waar „tehuis" te maken, waar men zich rustig voelt en veilig en vertrouwd.

Daartoe werkt mede het systeem dat de heer Reens volgt. Vroeger, zeker, in de allereerste periode van de „moderne beweging", had het zijn eigenaardige bezwaren om met de opdrachtgevers overleg te plegen, daar dit bijna altijd moest leiden tot concessies aan de beginselen. Men zat zoo zeer vastgegroeid in het mengelmoes van verhanselde en gedegenereerde oude vormen, men was zoo gewend aan het toch wel vaak - laat ons maar zeggen bijeengeraapte — stijllooze interieur, dat men bij zijn vaders en grootvaders had gekend, dat de waarlijk ernstig willende kunstenaars die zich met de inrichting van het interieur gingen bezig houden, wel gedwongen waren zich schrap te zetten en op hun stuk te blijven staan tegenover de grillen en ongemotiveerde wenschen van hun, esthetisch vaak vrijwel totaal onbeschaafde, opdrachtgevers.

Maar de beweging, en de inzichten en beginselen waardoor zij werd geleid, hebben doorgewerkt onder „het publiek". Men heeft die beginselen leeren waardeeren, men heeft geleerd de schoonheden waartoe zij ontegen-

Sluiten