Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ART. 10.

61

Toel. art. 10, 2e lid. De vraag is overwogen of de Staat den reiziger (bijv. een commissielid, die uit anderen hoofde veel reist), die voor eigen rekening zich een biljet als bedoeld in alinea 1 van dit artikel aanschaft, kan verplichten, ook bij het doen van dienstreizen, zonder vergoeding, van dat biljet gebruik te maken. Die vraag is evenwel ontkennend beantwoord. Dit neemt evenwel niet weg, dat het zoowel in 's Rijks belang als in dat van den reiziger wordt geacht, een prikkel in het leven te roepen om bij dienstreizen van een voor eigen rekening aangeschaft biljet als hiervoren bedoeld, gebruik te maken. Daarom wordt bij zoodanig gebruik de hier bedoelde vergoeding verleend. Zij kan, in verband met het bepaalde in art. 8, lid 1, in totaal echter nimmer meer bedragen dan de voor het biljet betaalde prijs.

3. Bij gebruik van eene vrijkaart mag geene vergoeding aan het Rijk in rekening gebracht worden. Reizigers, die in het bezit zijn van eene vrijkaart, zijn verplicht bij dienstreizen daarvan gebruik te maken.

Toel. art. 10, 3e lid. Betaalde en verschuldigde vracht voor reis- en dienstbenoodigdheden kunnen in rekening worden . gebracht.

4. Bij gebruik-van een kilometerboekje of van een ander speciaal biljet, tot het doen van een beperkt aantal reizen recht gevende, kan vergoeding in rekening gebracht worden naar evenredigheid van den, voor dat boekje of biljet betaalden, prijs.

Toel. art. 10, 4e lid. Een tabel, aangevende wat het vervoer over 1 tot en met 200 K.M. in de drie klassen kost, wordt als bijlage B hieraan toegevoegd.

5. Door of van wege het hoofd van het betrokken Departement van algemeen bestuur kan aan reizigers, als in dit besluit bedoeld, de verphchting worden opgelegd tot het aanschaffen van een boekje of biljet als in het vorig lid omschreven. De schade, welke door den reiziger buiten diens schuld, uit hoofde van het nakomen van evenbedoelde verplichting, wordt geleden, wordt door het Rijk vergoed.

Sluiten