Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

64

ARTT. 11—12.

bedragen hebben, de evenbedoelde som aan den reiziger zal vergoed worden, indien deze kan aantoonen, dat ten gevolge van de door hem gekozen wijze van vervoer op de verblijfkosten tenminste evenveel is bespaard als de reiskosten méér bedragen. Art. 7, alinea 1, is hier van toepassing.

4. Wij behouden Ons voor den in dit artikel vastgestelden maatstaf voor vergoedingen, wegens het gebruik van eigen vervoermiddelen in rekening te brengen, op de voordracht van Onzen Minister van Financiën, naar gelang van de omstandigheden, te wijzigen en aan te vullen.

Artikel 12. *)

1. Reizen naar een plaats (burgerlijke gemeente of het bij name bekend, afgezonderd liggend, onderdeel eener gemeente), op geen vérderen afstand dan van 3 kilometers buiten de woonplaats, geven geen aanspraak op vergoeding van kosten wegens het vervoer van den persoon des reizigers, behalve wanneer op denzelfden dag twee of meer reizen zijn gedaan en de werkelijk afgelegde afstand, met inbegrip van de terugreis of -reizen, meer dan 6 kilometers bedraagt of wanneer de reizen zijn gedaan met een openbaar middel van vervoer.

Toel. art. 12, le lid. De verplichting om naar plaatsen, gelegen op afstanden van 3 kilometer en minder te voet te gaan, geldt slechts in die gevallen, waarin geen openbaar vervoermiddel ten dienste staat. Eenerzijds zijn de kosten, aan het bezigen van een openbaar vervoermiddel over dergelijke korte afstanden verbonden, zoo gering, dat het geldelijk belang van den Staat bezwaarlijk als motief voor eene beslissing in anderen zin kan worden gebezigd. Anderzijds zal eene zoodanige regeling tot eene besparing aanleiding kunnen geven, daar de totale duur van de reis, ten gevolge van het gebruik van spoortrein of tram, zal inkrimpen, hetgeen vermindering van de vergoeding wegens verblijfkosten zal kunnen tengevolge hebben.

Indien het gebruik van het openbaar vervoermiddel tot verlenging der reis zou leiden (bijv. doordat men bij de

*) Zie beschikking M. v. 0. op bladz. 85—90.

Sluiten