Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 8.

Ieder, die met het doel om een ander bloot te stellen aan een der straffen, welke bij deze ordonnantie zijn bepaald onder diens goederen, in diens woning of op diens erf opium, overblijfselen van gerookt opium, eenige der andere in artikel 1 omschreven zaken, of gereedschappen als bedoeld sub d in de eerste alinea van artikel 4, verbergt of nederlegt, of wel doet verbergen of nederleggen, wordt gestraft, indien hij een Europeaan of met dezen gelijkgestelde is, overeenkomstig artikel 326 van het Wetboek van strafrecht voor Europeanen, en indien hij een Inlander of met dezen gelijkgestelde is, overeenkomstig artikel 328 van het Wetboek van strafrecht voor Inlanders.

Artikel 9.

(1) Dadelijk na aanhaling van opium — daaronder begrepen de zaken, bedoeld in de tweede alinea van artikel 1 — wordt dit, ook indien de eigenaren niet bekend zijn of uit anderen hoofde geen strafvervolging wegens overtreding kan worden ingesteld, onder het ambtszegel van het Hoofd van plaatselijk bestuur en met een afschrift van het proces-verbaal van de aanhaling, waarin de gronden zijn te ver-' melden, waarop vermeend wordt, dat het opium al of niet is gekocht van de Regie in Nederlandsch-Indië, waar deze wijze van exploitatie van het Opiummiddel reeds is of nader zal zijn ingevoerd, toegezonden aan den Directeur van de fabriek der Opiumregie. Deze of de Scheikundige bij die fabriek zendt het aangehaalde, tenzij reeds is uitgemaakt, dat geen strafvervolging kan worden ingesteld, verzegeld terug aan het Hoofd van plaatselijk bestuur met eene verklaring, afgegeven op den eed (belofte) bij den aanvang zijner bediening gedaan, inhoudende, dat het aangehaalde door hem onderzocht is op de bestanddeelen van opium, of die bestanddeelen al dan niet door hem zijn aangetroffen, en in het bevestigend geval, of blijkens zijn onderzoek ook naar de aanwezigheid der kenmerken, welke aan het opium der Regie in bovenbedoeld gebied niet kunnen ontbreken, het onderzocht opium al dan niet, dan wel slechts ten deele, van de Regie in dat gebied afkomstig kan zijn, en met welke hoeveelheid ruw opium van goede hoedanigheid het door hem wordt gelijkgesteld. Is reeds uitgemaakt, dat geen strafvervolging kan worden ingesteld, dan bepaalt de Directeur van de fabriek der Opiumregie of de Scheikundige bij die fabriek zich tot de opzending van zijne verklaring.

Sluiten