Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de boete vrijwillig is voldaan en verklaard is, dat in de verbeurdverklaring wordt berust, verdeeld als volgt:

a. aan den aanbrenger of de aanbrengers 3/7.

6. aan den aanhaler of de aanhalers 2/7-

c. aan allen, die tot het ontdekken der overtreding en het doen der

aanhaling hebben mede gewerkt \ j

blijvende 1/7 beschikbaar, ten einde daaruit, ter beoordeeling van den Hoofdambtenaar, Chef van den dienst der Opiumregie (*), buitengewone belooningen toe te kennen aan personen, die zich ter ontdekking van overtredingen bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt (2).

(2) Het Hoofd van gewestelijk bestuur beslist wie als aanbrenger, als aanhaler en als medewerker moeten worden aangemerkt.

(3) Een ieder, die in meer dan één categorie werkzaam is geweest, heeft aanspraak op aandeel uit elke, waarin hij zijne diensten heeft verleend.

(4) De verdeeling tusschen meerdere aanbrengers, aanhalers of andere deelgerechtigden geschiedt door het Hoofd van gewestelijk bestuur naar gelang van ieders verdiensten.

(5) Aandeelen, waarop niemand aanspraak heeft, blijven mede beschikbaar voor de toekenning van buitengewone belooningen opden voet van de slotbepaling in het eerste lid.

(€) De voorschriften van artikel 2 van de resolutie van 16 September 1833 II' 6 (Staatsblad 11' 56) en van artikel 1, IA 6, van het besluit van 18 September 1853 II' 5 (Staatsblad 11' 73), alsmede van het besluit van 11 April 1874 11' 14 (Staatsblad II' 106) blijven gehandhaafd.

(7) "Wanneer het, naar het oordeel van het Hoofd van gewestelijk bestuur, niet twijfelachtig is, dat de verbeurdverklaring van eenige partij aangehaald opium door den rechter zal worden uitgesproken, zoomede indien de eigenaren van het aangehaald opium, daaronder begrepen de zaken, bedoeld in de tweede alinea van artikel 1, niet bekend zijn of Hit anderen hoofde geene strafvervolging wegens overtreding kan worden ingesteld, geschiedt de uitkeering op de wijze als bij de vorige alinea's is aangegeven, binnen acht dagen na ont-

(1) Zie noot (1) blz. 26.

(2) Deze alinea wordt aldus gelezen ingevolge § II sub 5e b der ordonnantie van 10 Maart 1905 (Staatsblad na. 187} en artikel 1 der ordonnantie van 6 Augustus 1915 (Staatsblad no. 493).

35

Sluiten