Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overeenkomstig artikel 326 van het thans nog vigeerend Wetboek van strafrecht voor Europeanen, en indien hij een Inlander of met dezen gelijkgestelde is, overeenkomstig artikel 328 van het Wetboek van strafrecht voor Inlanders.

Artikel 21.

(1) Dadelijk na aanhaling van opium —. daaronder begrepen de zaken, bedoeld in de tweede alinea van artikel 1 — wordt dit, ook indien de eigenaren niet bekend zijn of uit anderen hoofde geen strafvervolging wegens overtreding kan worden ingesteld, onder het ambtszegel van het Hoofd van plaatselijk bestuur en met een afschrift van het proces-verbaal van de aanhaling, waarin de gronden zijn te vermelden, waarop vermeend wordt dat het opium al of niet is gekocht van de Regie in Nederlandsch-Indië, waar dezo wijze van exploitatie van het Opiummiddel reeds is of nader zal zijn ingevoerd, toegezonden aan den Directeur van de fabriek der Opiumregie. Deze of de Scheikundige bij die fabriek zendt het aangehaalde, tenzij reeds is uitgemaakt, dat geen strafvervolging kan worden ingesteld, verzegeld terug aan het Hoofd van plaatselijk bestuur met eene verklaring, afgegeven op den eed (belofte) bij den aanvang zijner bediening gedaan, inhoudende dat het aangehaalde door hem onderzocht is op de bestanddeelen van opium, of die bestanddeelen al dan niet door hem zijn aangetroffen, en in het bevestigend geval of, blijkens zijn onderzoek, ook naar de aanwezigheid der kenmerken, welke aan het opium der Regie in bovenbedoeld gebied niet kunnen ontbreken, het onderzocht opium al dan niet, dan wel slechts ten deele, van de Regie in dat gebied afkomstig kan zijn, en met welke hoeveelheid ruw opium van goede hoedanigheid het door hem wordt gelijkgesteld. Is reeds uitgemaakt, dat geen strafvervolging kan worden ingesteld, dan bepaalt de Directeur van de fabriek der Opiumregie of de Scheikundige bij die fabriek zich tot de opzending van zijne verklaring (x).

(2) De verklaring, in de vorige alinea bedoeld, wordt bij de gedingstukken gevoegd.

(3) Het geldswaardig bedrag van het aangehaalde, de kati ruw opium berekend tegen twintig gulden, wordt uit 's Lands kas uitge-

(1) De eerste alinea van dit artikel wordt aldus gelezen ingevolge artikel 4 sub l°e der ordonnantie van 4 Februari 1913 (Staatsblad no. 218).

Sluiten