Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

171

(3) Het in de eerste alinea van dit artikel genoemde verbod om ten anker te komen geldt niet in gevallen van zeeramp of nood, ter beoordeeling van het Hoofd van gewestelijk of plaatselijk bestuur.

Artikel 12.

De gezagvoerder, die met zijn vaartuig eene plaats binnen de in alinea 1 van artikel 11 bedoelde gedeelten van Nederlandsch-Indië aandoet, is verplicht van het aan boord van zijn vaartuig aanwezige opium, voor zoover dat niet van de Eegie afkomstig is, onverschillig of dit tot de lading behoort dan wel het eigendom is van de passagiers of opvarenden, melding te maken in den praaibrief of — indien ter plaatse van aankomst geen havenmeester gevestigd is — onverwijld na aankomst bij de hoogste plaatselijke autoriteit, aangifte.,te doen.

Artikel 13.

(1) Het opium, dat niet ten behoeve van of voor rekening van het Gouvernement of, op den voet van artikel 9 (*) dezer Bepalingen, van particuliere apothekers of geneeskundigen wordt aangevoerd en niet afkomstig is van de Eegie, wordt in de bij het laatste lid van artikel 11 bedoelde gevallen, zoodra mogelijk en Tn andere gevallen binnen 24 uur na aankomst van het vaartuig onder bewaking van daartoe door het Hoofd van gewesteüjk of plaatselijk bestuur aan te wijzen ambtenaren, aan wal gebracht en in een publiek entrepot of andere wel verzekerde bergplaats opgeslagen.

(2) Het is verboden de emballage te openen of het opium over te pakken.

(3) Het Hoofd van gewestelijk of plaatselijk bestuur kan af wijkingen toestaan van de bepalingen van dit artikel.

(4) Hij stelt, indien hij vergunning verleent tot het aan boord blijven van het opium, het vaartuig onder bewaking van daartoe hem aan te wijzen ambtenaren.

Artikel 14.

(1) Het opium, dat krachtens het vorig artikel in eene bergplaats

(1) Zie noot O blz. 169.

Sluiten