Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wanneer de schuldige is Inlander of met dezen gelijkgestelde met tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van één maand tot.drie maanden.

Artikel 6.

De houders van de in artikel 5 bedoelde schriftelijke vergunning zorgen, dat vóór aan de daarin aangeduide gebouwen, op eene zichtbare plaats, een houten bord wordt gesteld, waarop de woorden „opiumkit" in de Nederlandsche, de plaatselijke Inlandsche en de Chineesche talen duidelijk te lezen staan, op verbeurte van eene boete van vijf en twintig gulden voor elk verzuim.

Artikel 7 (*).

(1) Personen, die niet gerechtigd zijn tot het bezit van opium, jongelieden, van wie men niet met genoegzame zekerheid weet, dat zij den leeftijd van achttien jaren bereikt hebben, vrouwen, zoomede gewapende of beschonken lieden, worden niet in de opiumkitten toegelaten.

(2) Dobbel- of andere spelen, hoe ook genaamd, zijn daarin verboden.

(3) Evenzoo is het aan een ieder verboden, in eene opiumkit of hare aanhoorigheden goederen tegen gereed geld in pand te nemen of te koopen.

(4) Het Hoofd van gewestelijk bestuur bepaalt in overleg met den Hoofdambtenaar, Chef van den dienst der Opiumregie (2), voor elke kit gedurende welke uren zij voor het publiek toegankelijk mag worden gesteld, met dien verstande dat de kitten in ieder geval van elf uur des avonds tot half zes uur des ochtends gesloten zullen zijn.

(5) Indien handelingen worden gepleegd in strijd met de le, 2e of 4* ali nea van dit artikel of indien de kithouder de bezoekers van de kit op eenigerlei wijze van opium voorziet, of doet voorzien, voor zoover deze handeling niet het karakter draagt van verkoop, dan wel indien hij toelaat dat de bezoekers elkander in de kit op eenigerlei wijze opium afstaan, wordt hij gestraft met eene boete van tien tot

(1) De eerste alinea is opgenomen zooals zij luidt ingevolge §11 subD der ordonnantie van 1 Juli 1913 (Staatsblad no. 437), de vierde zooals zij luidt ingevolge de ordonnantie van 16 April 1902 Staatsblad no. 174) en de vijfde zooals zij luidt ingevolge artikel 2 der ordonnantie van 17 Januari 1901 (Staatsblad no. 62).

(2) Zie noot O blz. 231.

Sluiten