Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

234

Artikel 10 (J)

(1) Dadelijk na aanhaling van opium — daaronder begrepen de zaken, bedoeld in de 2e alinea van artikel 1 — wordt dit, ook indien de eigenaren niet bekend zijn of uit anderen hoofde geen strafvervolging wegens overtreding kan worden ingesteld, onder het ambtszegel van het Hoofd van plaatselijk bestuur en met een afschrift van het proces-verbaal van de aanhaling, waarin de gronden zijn te vermelden, waarop vermeend wordt, dat het opium al of niet is gekocht van de regie, toegezonden aan den Directeur van de fabriek der Opiumregie. Deze of de Scheikundige bij die fabriek zendt het aangehaalde, tenzij reeds is uitgemaakt, dat geen strafvervolging kan worden ingesteld, verzegeld terug aan het betrokken Hoofd van plaatselijk bestuur met eene verklaring, afgegeven op den eed (belofte) bij den aanvang zijner bediening gedaan, inhoudende, dat het aangehaalde door hem onderzocht is op de bestanddeelen van opium, of die bestanddeelen al dan niet door hem zijn aangetroffen, en in het bevestigend geval of, blijkens zijn onderzoek, ook naar de aanwezigheid der kenmerken, welke aan het opium der regie niet kunnen ontbreken, het onderzocht opium al dan niet, dan wel slechts ten deele, van de regie afkomstig kan zijn, en met welke hoeveelheid ruw opium van goede hoedanigheid het door hem wordt gelijkgesteld. Is reeds uitgemaakt, dat geen strafvervolging kan worden ingesteld, dan bepaalt de Directeur van de fabriek der Opiumregie of de Scheikundige bij die fabriek zich tot de opzending van zijne verklaring.

(2) De verklaring, in de vorige alinea bedoeld, wordt bij de gedingstukken gevoegd. Zij heeft in zaken van overtreding dezer ordonnantie bewijskracht ten aanzien van hetgeen aan het voorwerp van onderzoek is waargenomen.

(3) Het geldswaardig bedrag van het aangehaalde, de kati ruw opium berekend tegen twintig gulden, wordt uit 'sLands kas uitgekeerd en verdeeld op de wijze als bij artikel 13 is voorgeschreven. Deze uitkeering blijft achterwege, indien de uit te keeren gelden minder zouden bedragen dan één gulden.

(1) De eerste alinea van dit artikel is opgenomen zooals zij luidt ingevolge artikel 1 der ordonnantie van 4 Februari 1913 (Staatsblad no. 218) terwijl het voorschrift in de tweede alinea is goedgekeurd b(j Koninklijk besluit van 3 Juli 1903 no. 38 (Indisch Staatsblad no. 314); vide ook het Koninklijk besluit van 18 Juni 1907 no. 75 (Indisch Staatsblad no. 341. Zie deel I bladzijde 33).

Sluiten