Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ii

pleging, hetzij m den oorlog is nóóit en nergens in de H. Schrift verboden, maar zelfs herhaaldelijk op Gods eigen bevel geboden. Wie zich dus op de H. Schrift beroept, dient haar te aanvaarden gelijk ze luidt in haar geheel, of haar niet aan te halen. Feitelijk en eigenlijk heeft de dienstweigeraar op eigen gezag zich voorgeschreven onder geen enkele omstandigheid de wapens te hanteeren, en nu wil hij met een uit zijn verband gerukte tekst en die dan nog foutief verklaard, aan zijn eigen opinie, goddelijk gezag toe schrijven. Maar verstaat men dan niet, hoe door en door onredelijk zulk beroep op de H. Schrift is? Vanzelf baat het niet, (afgedacht van het gansch onwetenschappelijke zulk eener scheiding) of men nu al zegt: „ja maar het is Mozes, die hier de geboden voorschrijft"; want immers Mozes doet het op Gods bevel En daarom geeft evenmin een uitweg, een redeneering als deze: Mozes heeft den oorlog niet verboden, maar Christus wel; en ik houd me dan maar liever aan Christus, dan aan Moses". — Zulk een z.g.n. vereering van Christus is feitelijk een beleediging van den Christus. Immers Mozes handelt naar opdracht Gods hoe zou dan Christus er mede in strijd kunnen geraken. Christus zelf erkent „Mozes en de profeten", getuige zijn herhaaldelijk beroep op hen, als van goddelijk gezag. Christus zelf wijst zulk een gemaakte tegenstelling op de meest besliste wijze van de hand. Christus (gelijk we straks zullen zien) heeft dan ook het wapen-verbod nergens gegeven.

Het blijkt alzoo, dat een beroep op het zesde wetswoord voor dienstweigering gansch en al foutief is. In 't midden dan nog gelaten de kwestie, of, gesteld al, dat God den wapenhandel verboden had, men bij overheidsbevel om te dooden, dienstweigeren mocht, óf dat men deze zonde dan voor rekening van de overheid had te laten, om zelf aan het overheidsgebod onderworpen te zijn. Maar we kunnen deze kwestie gevoegelijk buiten bespreking laten. Immers God heeft de overheid wel terdege zulk een bevoegdheid verleend. En het gebod „gij zult niet dooden", doelt op het persoonlijk leven van den enkeling in de gewone samenleving. Er is n.1. een onderscheid, tot op zekere hoogte zelfs een tegenstelling, tusschen het persoonlijk leven van den enkeling en dat van de samenleving van een geheel volk, als Staat. Welnu ieder terïein heeft hier zijn eigen leven. Evenmin als het geoorloofd is, om den regel van het staatsleven toe te passen op ons persoonlijk leven, evenmin is het den dienstweigeraar geoorloofd den regel van het private, persoonlijk leven over te brengen op dat van den staat. — Consequent ware het, als de dienstweigeraar dan ook weigerde belasting te betalen. Waarom heeft hij daar geen bezwaar tegen? Hij kon zich evengoed voor zijn methode daartoe op het achtste wetswoord „gij zult niet stelen" beroepen. Als enkeling mag ik van een ander geen geld afeischen, dat ware roof en diefstal; de staat mag

Sluiten