Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14

ooit de dienstweigering gepredikt. En dat beslist reeds. Al had men gelijk met te zeggen: zij waren tegen oorlog zij leerden (des neen) dat in deze bedeeling een krijg absoluut .verboden was, dan hebben ze nog niet geleerd, dat men, in geval er nu toch zulk een oorlog uitbreekt, geroepen is, om aan de overheid te weigeren de wapens op te vatten. Maar ik ga verder: zij hebben zelfs nooit geleerd, dat wapenhandel, militair-zijn, rechts-en tuchtoefening verboden waren in deze bedeeling. Dat het ellendig is, als blijk van onzen diepen val, dat er somtijds nu eenmaal onvermijdelijk botsingen en krijgen ontstaan, — dat moge zeker in hun leer dóórklinken, dat zal wel waar zijn; maar zulks geeft daarom geen recht, om den wapenhandel, gegeven deze bedeeling, in hun naam te verbieden. Evenmin als men b.v. zou mogen zeggen: een operatie is een jammerlijk geval, een vruchtgevolg van zonde en val, en daarom zijn operaties verboden, en mag een dokter het ontleedmes niet ter hand nemen. Tegen de zonde zelve als oorzaak van alle kwaad heeft Christus zijn woord verheven, maar tevens zich onderworpen aan een maatschappij van samenleving zooals die thans, dank zij dit feit der zonde, zoolang het Vrederijk door Christus zelf niet is gesticht, niet anders mogelijk is. Dan geldt het: geef den Keizer wat des Keizers is, en Gode wat Gods is.

Hoe hebben Christus en de apostelen zich nu verklaard, welk standpunt hebben zij ingenomen tegenover den krijgsdienst? Met groote nadrukkelijkheid zij vooropgesteld, dat zij nooit één woord hebben gesproken tegen den officiëelen staat, nóch tegen de overheid, nóch tegen het rechtswezen, nóch tegen den krijgsdienst. Te redeneeren gelijk de dienstweigeraar doet: Christus is de persoon van liefde en genade, zijn leer eischt zuivere liefdebanen en niets anders, derhalve is krijgsdienst met Christus in strijd; is een door en door oppervlakkige, ja onware handelwijze. Hier heeft de dienstweigeraar zich eerst naar eigen gevoel een voorstelling gemaakt van Christus, welke met de werkelijkheid in strijd ist; en daarna heeft hij-dan zijn stelsel met Christus persoon en leer willen dekken. En dit is te afkeurenswaardiger, nademaal dit Christus' beeld niet zuiver naar de Schriften is. Christus is de persoon des Borgs, die in de sfeer van het recht verlossing te weeg bracht, door zichzelf ten offer te geven voor de zonden, en dat wel, om aan de geschonden rechten Gods te voldoen. De liefde en genade van Christus doelen op het recht. Hij heeft dan ook een vonnis des doods uit de hand der overheid aanvaard, formeel als geldig en wettig. Zijn leer was dienovereenkomstig dan ook niet een louter gevoelsmoraal van enkel liefdebetoon zonder zou gevraagd zijn naar het recht en deszelfs handhaving. Men versta toch consequent, dat wie den „dienst" weigert, feitelijk ook alle overheid moet loochenen, alle tucht- en strafoefening als uit den Booze moet keuren, alle vergelding der gerechtigd

Sluiten