Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22

keren-leven dan eveneens zou bestaan hebben, deze ontplooiing van. verscheidenheid en veelvormigheid normaal zijn geweest-; dan zou iedere, natie organisch en zonder naijver zich) hebben ontwikkeld in het geheel van het volkeren-leven. Thans geschiedt dit helaas niet anders, dan met jaloezie, naijver, botsing van belangen, enz. Maar dan staat ook vast, dat een natie niet lijdelijk mag toelaten, dat een andere haar tracht te verdringen van, en uit de plaats, waar God ze in het ontwikkelingsproces der geschiedenis heeft ge,steld. Dit toch zou aantasting van het bedoelen Gods zijn; geestelijke zelfmoord; ondermijning van de levensvolheid-ontplooiïng. Zulk lijdelijk toezien moge men al „liefde-leven" noemen, het .is in waarheid niet anders, niet minder, dan een aantasting van de grondslagen van recht en leven. En alzoo in waarheid geen liefde, maar sentimentaliteit

We spreken alzoo van de nationale gedachte, en welke ons verplicht tot een gehoorzamen aan de overheid, ook als 't moet tot in wapengeweld toe. De „natie" is hier feitelijk weer een ander begrip dan dat van staat. De natie is het historisch volksgeheel, dat berust op „ras-lot-kultuurgemeenschap". De staat is in dat volksgeheel het instituut van het recht. De nationale gedachte welke nu in zulk een volksgeheel leeft, blijkt telkens een mystieke kracht te zijn, die zich als 't er maar op aan komt gelden laat. Dit is gezien bij 't uitbreken van den wereldoorlog. De nationale gedachte overheerschte al zeer spoedig alle partijgeschillen. Abnormaal is het verschijnsel, een ziekte bij het lid eener natie, bij aldien hij meent zich feitelijk door zijn dienstweigering buiten de gemeenschap, en buiten het nationale leven te moeten sluiten. Of een oorlog naar recht wordt verklaard ja of neen, is een gansch afzonderlijke kwestie; maar afgedacht daarvan is formeel elke oorlog onderstellend de waarde dier nationale idee. Dienstweigering is als zoodanig een zonde tegen de natie, en tegen den staat, en tegen de overheid, en feitelijk ook tegen God, die deze natiën-splitsing en ontplooiing heeft geordineerd; en is deswege, formeel beoordeeld, ook strafbaar.

Zelfs in het socialistisch kamp wordt van deze dingen iets gevoeld. Het begrip „Vaderland" is daar erkend. In zijn boek de „Wereldoorlog en de Sociaaldemocratie" Schreef Mr. P. J. Troelstra, dat de bekende uitdrukking van het „Kommunistisch Manifest": „De arbeiders hebben geen vaderland; men kan hun niet ontnemen, wat zij niet hebben";— veel is misbruikt, en nóg meer is misverstaan. O zeker, 't is geen vaderland, zoo betoogt hij dan, dat ons veel waard is, de arbeiders hebben er geen hun waardige positie, dat vaderland is uit sociaal oogpunt niet wat het volgens dezen schrijver zijn moest. Maar hij erkent, dat het begrip op zichzelf recht van bestaan heeft. Vroeger, zoo veroorloven wij ons op te merken, heeft men van uit dien hoek wel eens andere noten hooren kraken!.En in dien „ouden" trant zingen nog

Sluiten