Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

DE BOUWKUNST DER PRAE-HISTORISCHE VOLKEREN, j

1.

E OUDSTE MENSCHEN WAARVAN MEN HET BESTAAN KAN

nasporen, hebben geleefd in het diluviaal tijdperk, dus nog voor het ijstijdperk, duizenden jaren geleden. Zij hebben geen architectonische monumenten nagelaten en hun bestaan is slechts door natuurkundigen en archeologen bekend.

De allereerste uitingen van kunst zijn niet aan tijd en plaats gebonden; de ontwikkeling van het eene volk kan nog pas zijn begonnen, als die van andere volkeren reeds duizenden jaren oud is, of zelfs kan zijn geƫindigd. Zoo verkeerden de bewoners van Midden-Europa nog in het aanvangsstadium, toen in Aziƫ en Afrika reeds volkeren het hoogtepunt van hun kuituur hadden bereikt; en nu de Europeesche volkeren op gebied van kunst en techniek een zeer hoog standpunt innemen, verkeeren nog bewoners der Zuidzee-eilanden in hun aanvangsstadium. Doch de eerste kunstuitingen van prae-historische, zoowel als van hedendaagsche natuurvolken vertoonen in alle landen en in alle tijden een zelfde karakter.

De ontwikkeling der volken hangt ten nauwste samen met het hun al of niet bekend zijn van verschillende materialen voor werktuigen en wapens. Volgens het gebruik hiervan wordt het prae-historische tijdperk ingedeeld in drie hoofdperioden: a. het steen-, b. het brons- en c. het ijzertijdperk.

2. Van het steentijdperk is het begin niet vast te stellen. Het einde is voor Europa ongeveer 1500 jaar v. Chr. Het oudste steentijdperk is dat van het diluvium, dus voor den ijstijd, toen in Midden-Europa de nu hier uitgestorven of naar andere oorden verhuisde dieren leefden, als mammouth, rhinoceros en rendier. Dit tijdperk wordt palaeolithisch genoemd, terwijl het tweede steentijdperk, het neolithische, valt na het ijstijdperk, en ongeveer 1500 jaar v. Chr. eindigt.

Palaeolithisch tijdvak. De menschen leven van jacht en vischvangst, hebben geen vaste woonplaats en wonen in natuurlijke grotten onder overhangende rotsen, in aardholen of boomkruinen, of hoogstens in tenten van dierenhuiden. Van bouwkunst is dus nog geen sprake. De werktuigen en wapenen zijn van ruw afgekapte en bijgeslagen vuursteen. Uit kunstoogpunt beschouwd zijn slechts belangrijk de met diermotieven ingegrifte rendierof mammouthbeenderen. Deze eerste ornamentiek getuigt van groot waarnemingsvermogen. Fig. 1.

Neolithisch tijdvak. De menschen leven, naast jacht en vischvangst, van veeteelt en landbouw. Gebonden aan bepaalde landstreken, ontstaan dorpen van betere woningen. Deze woningen zijn deels nog kunstmatige of natuurlijke onderaardsehe holen, deels boven den grond gebouwde hutten van palen, gedicht met vlechtwerk van takken en klei. Zelfs zijn reeds paalwoningen gebouwd in het water aan oevers van meren. De vischvangst werd hierdoor gemakkelijker, terwijl, daar ce toegang langs smalle bruggen plaats vond, tevens voor de veiligheid was gezorgd. De paalwoningen zijn eveneens van met leem gedicht gevlochten takkenwerk, rustend op een vloer van ronde balken, in 2 lagen, kruiswijs aangebracht op in den moerasgrond gedreven palen, die 1 S 2 M. boven het water uitsteken. Ook wel stond de woning op een vlot van houten palen. Begon dit, verzadigd van water Fig. 2. en tengevolge van de belasting te zinken, dan werden er nieuwe lagen palen op aangebracht, zoolang, tot ten

Sluiten