Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20

DE EGYPTISCHE BOUWKUNST.

van afgeknotte pyramiden met een rechthoekig grondplan. Opgetrokken soms van tegels, maar meestal van gehouwen steen boven den grond, loopt van het bovenvlak tot op aanzienlijke diepte (soms 30 M.) verticaal naar beneden een schacht, die rechthoekig ombuigt en beneden verwijd is tot een doodenvertrek, waarin een sarcophaag van hout of graniet was geplaatst. Aan den achterwand van dit vertrek bevindt zich een schijndeur als symbool Fig.20.8,10. van den ingang naar het schaduwen rijk.

Mastaba is een Arabisch woord, dat bank beteekent en welke naam onüeend is aan het uiterlijk der gebouwen. Behalve de grafkamer, waarin de sarcophaag is geplaatst, zijn er in de mastaba's dikwijls nog verscheidene andere vertrekken (tot 30 toe) aangebracht, die dienden als voorraadskamers en waarin verschillende spijzen werden geplaatst voor de Ka, den na den dood voortbestaan blijvenden menschelijken geest. Opdat de Ka in voortdurende gemeenschap kan blijven met het menschelijk lichaam, werd dit gebalsemd; de in de sarcophaag goed opgeborgen mummie werd verder door een onverwoestbaar graf voor vernietiging gevrijwaard. De deur naar de grafkamer werd daarom ook goed verborgen. De ceremoniën vonden oorspronkelijk plaats vóór de mastaba's, doch daar mogelijke voorbijgangers de beste stukken van de offergaven zullen hebben gestolen, werden spoedig aanbouwen vervaardigd, die naderhand vervangen werden door een van buiten toegankelijke grafkapel, Fig. 20. 7. waarin de doodenoffers geplaatst werden. Deze grafkapel was inwendig rijk gedecoreerd met schilderingen, betrekking hebbende op het leven van den overledene. De ingang was uitwendig zichtbaar door een paar vierkante pijlers, kort en gedrongen en niet in vorm afgeleid van houtconstructies. Een nabootsing van houtarchitectuur Fig. 20. 3, 4. in steen spreekt wel duidelijk uit de versiering van sarcophagen en van de schijndeuren. Deze schijndeuren zijn Fig. 21. van menschelijke proporties, dus evengroot als werkelijke deuren zouden zijn geweest. In den loop der tijden jverden de schijndeuren van vorm gewijzigd en vervangen door stélen of grafplaten, waarop de beeltenis van den overledene is aangebracht.

De Egyptenaren uit het Oude Rijk kenden niet alleen oyer wel ving door overkraging, maar er is zelfs een voorbeeld bekend van een schuin naar beneden afloopende mastabagang, die door wigvormige steenen is overdekt. Overwelving evenwel geschiedde uitsluitend voor kleine en onderaardsche vertrekken.

De pyramiden (Grieksch pyramis; Egyptisch pyramide = verticale hoogte) worden gevonden in het Noordelijk deel van Midden-Egypte, op den linker Nijloever ten Zuiden van Cairo. Op de hoogvlakte van Memphis liggen er, in groepen verdeeld, een honderdtal, over een lengte van ongeveer 70 K.M. Memphis (Meniter = goede stad), eens koningsstad, waarvan nog slechts enkele puinhoopen over zijn, lag aan de Westzijde van den Nijl; aan den kant, waar de zon ondergaat, dus Westelijk van Memphis, ligt het Egyptische doodenrijk aan den rand van de Lybische woestijn. De pyramidengroepen worden genoemd naar de kleine hedendaagsche plaatsjes in de nabijheid. Zoo onderscheidt men de pyramiden van Abu-Roash, van Gizeh, Sakkara, Daschur, Lisht, Medum, Saniet-el-Arian, Rigah, terwijl er ook Zuidelijker in Nubië, kleinere imitaties worden aangetroffen. Van Fig. 29. 3. deze pyramiden zijn er nog vele slechts herkenbaar als puinhoopen. Enkele echter verrijzen nog overweldigend groot boven de woestijnvlakte, getuigenis afleggend van de onbeperkte macht van de pharao's, wier grafmonumenten het zijn. In hun volmaakten stereometrischen vorm, maken ze, eenvoudig als ze zijn, toch een onvergetelijken indruk. Waarschijnlijk is de hoofdvorm afgeleid van de mastaba. Overigens komt dezelfde vorm van grafteeken voor in Fig. 22. 5.

Sluiten